Helder standpunt Rechter in Ouderverstotingproces.

Het is een Indrukwekkend procesverslag, waard om te lezen. Het proces gaat om een vader die aanvraagt dat de hoofdverblijfplaats , terwille van het belang van de kinderen, gewijzigd wordt van moeder naar dat van hem. Ondanks adviezen van de RvdK beslist de Rechter anders . De Rechter neemt een helder standpunt in. Hij heeft een duidelijke visie . De rechter benoemt het gedrag vader als mishandeling van de kinderen.! Hij plaatst de kinderen, ondanks dat deze aangeven geen contact met moeder te willen toch bij moeder. Met daarbij een contactverbod voor vader van 4 weken. Hierna , kan met behulp van hulpverlening het contact met vader stap voor stap worden opgebouwd. Daarbij legt de rechter een enorme dwangsom op aan vader als deze niet meewerkt aan het ten uitvoering brengen van dit vonnis.!!

1 Procesverloop van de Rechtzitting ( overgenomen uit de uitspraak van de rechter)

1.1. Bij mondelinge uitspraak van deze rechtbank van 4 juli 2019 is, alvorens verder te beslissen met betrekking tot de verzoeken tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het vaststellen van een zorgregeling, een voorlopige omgangsregeling bepaald tussen de moeder en de minderjarige kinderen van partijen, in afwachting van het raadsrapport.

1.2. De zaak is met betrekking tot de verzoeken tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling voortgezet ter zitting van 20 augustus 2019 ten overstaan van de meervoudige kamer. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:

– de moeder, bijgestaan door mr. Van Weert;

– de vader, bijgestaan door mr. Siesling-Vellinga;
– [jeugdzorgwerker 1] en [jeugdzorgwerker 2] namens het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (hierna: GI);

– [raadsmedewerker] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK).

Motivering

2.1. Partijen zijn de ouders va

Bij tussenbeschikking van 17 oktober 2018 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

De kinderen verblijven sinds eind december 2017 alle drie bij de vader en hebben iedere week 4 uur omgang met de moeder in het zogenaamde lokaaltje van de GI in Leeuwarden.

2.2. De kinderen van partijen zijn op 7 maart 2018 voorlopige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is tot op heden telkens verlengd.

2.3. De rechtbank blijft bij hetgeen in de mondelinge tussenuitspraak van 16 april 2019 is overwogen en beslist, welke overwegingen en gronden worden geacht als hier herhaald en ingelast te zijn, tenzij hierna anders wordt overwogen en beslist.

page2image63333952

Rapportages

2.4. Er zijn vele hulpverleningsinstanties bij partijen en hun kinderen betrokken en in het dossier zijn meerdere rapportages gevoegd. De rechtbank zal hierna de conclusies uit de verschillende rapportages weergeven. De RvdK heeft op verzoek van de rechtbank een onderzoek ingesteld naar het meest wenselijke hoofdverblijf en een verdeling van de zorg- en opvoedtaken, het advies van de RvdK zal hierna ook worden opgenomen. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de standpunten van partijen en besluiten met het oordeel van de rechtbank.

Raadsonderzoek OTS

2.5. Op 17 mei 2018 heeft de RvdK zijn rapport raadsonderzoek ten behoeve van de definitieve ondertoezichtstelling van de minderjarigen afgegeven. Hierin staat het volgende – zakelijk weergegeven – vermeld.

2.6. De RvdK is van mening dat de ontwikkeling van [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] dusdanig wordt bedreigd dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Zij groeien al langere tijd op in een zeer gespannen situatie waarin ouders uit elkaar zijn en er al langere tijd nauwelijks tot geen omgang met moeder is. Ogenschijnlijk gaat het goed met [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] ; zij hebben goede resultaten op school, laten geen gedragsproblemen zien en lijken zich adequaat te ontwikkelen. De RvdK merkt op dat kinderen van nature loyaal zijn aan beide ouders. Als de situatie voor hen moeilijk te hanteren wordt, kiezen kinderen als overlevingsstrategie partij voor één van de ouders, namelijk de ouder die de dagelijkse verzorging en opvoeding voor zijn of haar rekening neemt. Dit omdat kinderen voor zowel praktische als emotionele zaken afhankelijk zijn van de verzorgende ouder. In dergelijke situaties is zichtbaar dat kinderen zich keren tegen de niet-verzorgende ouder. In de huidige situatie is zichtbaar dat de kinderen zich loyaal opstellen naar vader en zich tegen moeder hebben gekeerd. In de optiek van de RvdK kan het feit dat de kinderen moeder niet willen zien zowel te maken hebben met het feit dat de kinderen extreem loyaal zijn aan vader, die zij als betrouwbaar ervaren, maar ook aan het feit dat moeder hen zonder waarschuwing vooraf uit hun veilige omgeving heeft weg gehaald om vervolgens weer terug te keren. De RvdK heeft grote zorgen over het feit dat alle drie de kinderen in gesprek met de RvdK aangeven hebben dat zij het vertrouwen in moeder volledig kwijt zijn en geen contact met haar willen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het zorgelijk is dat ook [de minderjarige 3] , die nog maar vijf jaar is, dit benoemt. De RvdK ziet kinderen die vanuit hun loyaliteitsconflict enkel voor één ouder kunnen kiezen en niet anders kunnen dan de andere ouder sterk afwijzen, althans geen ruimte ervaren met beide ouders contact te hebben, laat staan een betekenisvolle relatie te onderhouden.

De kinderen geven in de gesprekken grotendeels dezelfde redenen aan waarom zij geen contact met moeder willen, ook geeft [de minderjarige 1] aan dat hij met heit goed kan praten over wat mem hun heeft aangedaan, waardoor het aannemelijk is dat vader met de kinderen hierover in gesprek gaat waarbij zij beïnvloed en belast worden met het beeld over moeder. Vader is van mening dat hij niet negatief over moeder praat richting de kinderen. Het negatieve moederbeeld waarvan momenteel bij de kinderen sprake van is, is ongunstig voor hun (verdere) ontwikkeling. De identificatie met de andere ouder en daarmee samenhangend de

ontwikkeling van hun zelfbeeld staan onder invloed van dit gegeven. Beide ouders vinden dat herstel van het contact tussen moeder en de kinderen noodzakelijk is. Ouders leggen de oorzaak van het feit dat de kinderen moeder niet willen zien bij elkaar, zijn niet in staat om op constructieve wijze met elkaar te overleggen en communiceren veelal op betrekkingsniveau. Ouders hebben verschillende verhalen over hoe zij hun relatie hebben ervaren. In de relatie was sprake van ongelijkwaardigheid; vader is verbaal sterk en moeder gaf haar grenzen onvoldoende aan. Moeder geeft in december 2015 bij het gebiedsteam aan dat het vermoeden van het gebiedsteam in maart 2015, dat zij wordt mishandeld door vader, juist is. De betrokken hulpverlening heeft blauwe plekken bij moeder waargenomen. De moeder heeft later aangegeven dat de vader haar keel heeft dichtgedrukt en haar in het gezicht heeft gestompt. Vader ontkent dat hij moeder heeft mishandeld. Moeder is bang voor vader.

2.7. De RvdK is van mening dat contactherstel tussen moeder en de kinderen zo snel mogelijk vorm moet krijgen, om het risico op (verdere) loyaliteitsproblemen bij de kinderen af te wenden. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders om dit voor hun kinderen te realiseren door hierover afspraken te maken. De RvdK vindt het bewonderenswaardig dat moeder zich niet aanbiedt om mee te helpen aan schoolactiviteiten ondanks dat zij haar kinderen graag wil zien, omdat zij de kinderen niet in een lastige positie wil brengen. Moeder handelt hiermee in het belang van de kinderen.

Om de ontwikkeling van de kinderen positief te laten verlopen, moet aan de volgende doelen worden gewerkt:

• [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben onbelast contact met beide ouders en ervaren ruimte om loyaal te mogen zijn aan vader en moeder;
• Er is een omgangsregeling tussen moeder en de kinderen die uitgaat van de belangen van de kinderen;

• [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] worden niet met volwassenproblematiek belast;

• [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] worden niet belast met negatieve verhalen over de andere ouder.

Voor het bereiken van deze doelen is het van belang dat ouders meewerken aan een traject bij het KKE. Binnen dit traject kan er nagegaan worden wat er voor nodig is om het contact tussen moeder en de kinderen te herstellen. Individuele hulp voor ouders gericht op het verwerken van het verleden, dan wel de scheiding is noodzakelijk om ouders toe te rusten om als ouders samen de verantwoordelijkheid voor de kinderen te dragen en niet langer op ex-partnerniveau met elkaar om te gaan en te communiceren. Hierbij is het van belang dat er aandacht is voor de relatie van ouders in het verleden. Ondanks de bereidheid van ouders om mee te werken aan hulpverlening is hulp binnen het vrijwillig kader ontoereikend gebleken. Ouders zijn tot nu toe niet in staat gebleken het belang van de kinderen centraal te stellen en de kinderen ruimte te bieden om contact met beide ouders te houden. Een ondertoezichtstelling is geïndiceerd en kan er zorg voor dragen dat passende hulp wordt ingezet en gecontinueerd en dat het netwerk positief betrokken blijft. Een gezinsvoogd kan vanuit een neutrale positie samen met ouders onderzoeken wat nodig is om te voorkomen dat [de minderjarige 3] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] (nog verder) klem komen te zitten en beslissingen nemen die in het belang van de kinderen zijn.

Kenniscentrum Kind en Echtscheiding

2.8. In de brief van het Kenniscentrum Kind en Echtscheiding (KKE) van 7 november 2018 wordt geschreven dat de kinderen ernstige schade oplopen door de situatie waarin ze zitten. Het KKE loopt vast in de behandeling. Het doel van de begeleide bezoeken is contactherstel met moeder, toewerken naar onbegeleid contact en de kinderen op een positieve manier hun band laten herstellen met moeder. Het is bij het KKE niet gelukt om deze doelen te bereiken.

2.9. Het KKE schrijft verder dat moeder inmiddels in een onmachtige positie zit. Zij ziet de kinderen heel weinig en alle drie de kinderen keren zich van haar af. Zij heeft hier geen enkele invloed op. Het ligt niet aan haar houding tijdens de bezoeken. Er is volgens het KKE geen reden waarom haar moederschap in twijfel hoeft te worden getrokken. Tijdens de begeleide omgangen is gezien dat moeder zich kan aansluiten bij de kinderen en dat er geen reden is om de contacten tussen moeder en de kinderen te begeleiden. De kinderen wonen bij vader, richten zich op hem en hebben een gezamenlijke vijand gevonden in de moeder. Vader vindt het onverantwoord dat de kinderen alleen met hun moeder zijn. Vader vormt samen met de kinderen een bondje en de moeder is daar buiten gevallen. Afdwingen van extra bezoek en onbegeleid bezoek is niet gelukt, ook niet met behulp van de gezinsvoogden. Het afdwingen zou op dit moment ook niet wenselijk zijn omdat de houding van de kinderen daar niet van verandert. Begeleide omgang levert geen constructieve basis voor contactherstel en contactgroei tussen de moeder. Het advies is daarom om hier niet mee door te gaan, omdat het spanning en negativiteit oproept. Vader is de enige die voor verandering kan zorgen door de kinderen ruimte te geven om contact te hebben met hun moeder.

2.10. Vader geeft bij het KKE aan naar de kinderen te willen luisteren en ze niet te willen dwingen. De kinderen zijn loyaal aan hem, stemmen op hem af en nemen afstand van hun moeder. Vader vertelt dat hij de kinderen stimuleert om contact met moeder te onderhouden, maar dit wordt door het KKE in de praktijk niet gezien. Op het moment dat er plannen worden gemaakt voor een andere vorm van contact met moeder dan neemt vader geen positie als ouder in en stimuleert hij de kinderen niet om het fijn te hebben met hun moeder. De kinderen kunnen niet anders dan zijn mening volgen en zeggen dat ze niet willen. Ze mogen bijvoorbeeld best even thee gaan drinken bij moeder die in hetzelfde dorp woont. Maar de kinderen weten dat hun vader vindt dat ze dit beter niet kunnen doen, omdat moeder gevaarlijk is. De vader vindt dat er een kans op ontvoering is en dat moeder het heeft verprutst door een relatie aan te gaan met de vader van een vriendje van [de minderjarige 1] en de kinderen in de steek te laten. De vader laat zich te veel leiden door zijn eigen gevoelens en opvattingen over moeder waardoor het hem niet lukt om de kinderen voldoende te stimuleren in het contact met moeder. De kinderen moeten hierdoor het contact met hun moeder missen en dit acht het KKE zeer schadelijk voor de kinderen.

2.11. De kinderen kunnen geen contact hebben met hun moeder. De kinderen leren dat intieme banden, zoals ouders die van je houden en zelf houden van je ouders, doorgesneden kunnen worden en dat je als kind gedwongen wordt partij te kiezen voor één van de ouders. Van het laatste zullen ze zich nu niet bewust zijn omdat de kinderen hun eigen veiligheid zoeken om te overleven, ze kunnen niet anders dan kiezen voor hun vader omdat ze anders verscheurd raken tussen twee volwassenen die elkaar wantrouwen en zwart maken. Het patroon lijkt zich te bestendigen en dit is een vorm van kinderenmishandeling. De kinderen kunnen zich niet ontwikkelen zoals voor kinderen noodzakelijk is. Het aanleren en voordoen hoe je contacten met anderen legt in het leven is verstoord en daar krijgen de kinderen hoe dan ook last van.

2.12. De ouders hebben de kinderen aangemeld voor therapie en dat moet gericht zijn op de beroerde situatie waar ze nu in zitten, zodat zij begrijpen en voelen dat zij daar niets aan kunnen doen en niet nog meer vastlopen in hun ontwikkeling. Zolang vader dezelfde houding blijft aanhouden en niet wil veranderen in het belang van de kinderen, zal therapie de kinderen op dit moment niet verder helpen. De kinderen komen nog meer in strijd met hun eigen gevoelens en gedachten. Tenslotte ligt volgens het KKE de verantwoordelijkheid tot het herstellen van het contact tussen de kinderen en moeder bij vader. Wanneer vader emotionele (gemeende) toestemming geeft aan de kinderen om van hun moeder te mogen houden en onderscheid maakt tussen zijn relatie met moeder en de relatie van de kinderen met hun moeder komt er een opening voor herstel. Wat gebeurd is in het verleden, zijn eigen pijn en verdriet, mogen niet van invloed zijn op de relatie die de kinderen met hun moeder aangaan. De kinderen moeten de vrijheid voelen, niet alleen in woorden maar vooral in oprecht menen, om contact met beide ouders te mogen hebben. Vader zal inzicht moeten krijgen in de schade die de huidige situatie veroorzaakt bij de kinderen. Hij wil als vader het beste doen voor de kinderen en naar ze luisteren. Dit is ook wat ouders horen te doen, alleen gaat vader daar als ouder te ver in door ervoor te zorgen dat de kinderen geen contact hebben met hun moeder. Opgroeien zonder één van beide ouders is daarnaast schadelijk voor het zelfbeeld van de kinderen. Het KKE wil graag verder met vader in gesprek over hoe hij ervoor kan zorgen dat de kinderen toch contact kunnen hebben met hun moeder en vader ook de vader kan zijn die hij graag wil zijn voor de kinderen.

Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling

2.13. Jeugdhulp Friesland is met de hulpverlening vanuit Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) betrokken geweest bij partijen over de periode van 14 augustus 2018 tot en met 9 oktober 2018. Zij hebben in een eindevaluatiebrief d.d. 30 november 2018 het volgende geschreven over de situatie.

2.14. De kinderen laten op een aantal gebieden opvallend en onnatuurlijk gedrag zien, die gegroepeerd zijn in onderstaande punten:

1. Onderdrukking van het hechtingssysteem: De kinderen laten zien dat het hechtingssysteem

aan de kant van moeder wordt onderdrukt, terwijl er aan de ander kant (bij vader) sprake is van hyperbinding. Hyperbinding lijkt op het eerste gezicht een (warme) veilige binding, maar is dat bij nader inzien niet. Samen wijst dit op disfunctioneren van het hechtingssysteem van de kinderen. De leerkracht gaf aan dat vader en [de minderjarige 1] in de beginperiode moeder weer terug wilden en het was duidelijk dat het voor hen moeilijk was dat dat niet lukte. De leerkracht gaf aan dat vader haar verteld had heel open met de kinderen te spreken over de scheiding en over moeder en er met z’n allen over te huilen. Vader legde hier naar het idee van juf te veel nadruk op. Het was alsof vader z’n eigen moeite deelde met de kinderen en hen daarin meesleepte op een bepaalde manier. Wat juf opvalt, is dat vader met de kinderen een breed afscheidsritueel heeft. Dat is altijd zo geweest. Vader neemt op een overdreven manier afscheid. Zo op het oog gaat hij ook lief met de meiden om. Vader brengt [de minderjarige 3] nog steeds in de klas, hoewel andere ouders dat niet meer doen. Hij kan het niet laten, zegt juf. [de minderjarige 3] vertelde onlangs dat ze van mem een nieuw jurkje had gekregen. Toen juf suggereerde dat ze moeder daar zeker wel een kus of een knuffel voor had gegeven gaf ze aan dat dat niet zo was en keek ze juf aan alsof de dacht: Als jij niet meer verstand hebt….

2. Waanvoorstelling: De kinderen denken slachtoffer te zijn van moeder en houden aan dat idee vast ondanks het feit dat het tegendeel kan worden bewezen. De kinderen laten zien dezelfde visie te hebben als vader over (het gedrag van) moeder. De kinderen lijken ideeën te verwoorden die niet bij hun leeftijd passen en die mogelijk afkomstig zijn van vader.

Een voorbeeld ervan is dat toen de gezinshulpverlener een gesprek met de kinderen op school had gehad, een van de kinderen de volgende dag tegen haar juf zei dat “school wel veilig moest blijven”, refererend aan het gesprek wat de dag ervoor had plaats gevonden. Zowel de kinderen als vader ontkennen dat er sprake is van beïnvloeding door de ander.

3.
Kinderen positioneren zich boven moeder en laten tegelijkertijd angst voor moeder zien:

De kinderen stellen zich boven moeder en vinden dat zij moeder moeten aanspreken op haar gedrag en vinden dat zij het recht hebben dat moeder naar hen luistert en doet wat zij vragen. De kinderen tonen geen enkele vorm van empathie voor moeder. De kinderen splitsen: vader wordt gezien als ideaal, veilig en beschermend, terwijl moeder wordt gedemoniseerd. De kinderen kunnen zich niet voorstellen dat dat ooit anders zou kunnen worden. De kinderen laten een aanhoudende angst zien in de nabijheid van moeder of anticiperend op de aanwezigheid van moeder en proberen contact met moeder te vermijden.

4. Ondersteuning van vader in de afwijzing van de kinderen: Vader ondersteunt de kinderen in het afwijzen van hun moeder. Hij geeft aan dat de hulpverlening moet luisteren naar wat de kinderen willen en hij geeft aan dat de kinderen eigenlijk zelf zouden moeten kunnen kiezen of ze contact willen met moeder. Daarmee plaats vader zichzelf en de kinderen boven

moeder. Ook het feit dat vader de kinderen destijds niet naar moeder heeft teruggebracht toen ze bij haar “weg liepen”, wijst in dezelfde richting. Vader geeft aan dat de kinderen therapie nodig hebben om te leren omgaan met de gevolgen van het negatieve gedrag van moeder. Hij geeft aan dat de gevoelens van de kinderen gerespecteerd moeten worden en een therapie kan helpen de gevoelens van de kinderen te valideren.

5. Gebruik van het woord “gedwongen’: De kinderen geven aan het gevoel te hebben dat ze worden gedwongen om tijd met moeder door te brengen. Vader volgt de kinderen en geeft

bij de hulpverleners aan dat hij de kinderen niet wil dwingen.

6. Poging tot buitensluiten: De kinderen geven aan dat ze moeder niet willen zien bij bijvoorbeeld verjaardagen of op het schoolplein.

7. Vervanging van de ouder: De kinderen lijken een vervangende moeder te hebben gevonden in de vorm van de vriendin van vader. Ze spreken over “opa” en “oma” als er gesproken wordt over de ouders van de vriendin van vader. Het viel een van de juffen op dat de kinderen al heel snel heel close zijn met de vriendin van vader.

8. De onvergeeflijke gebeurtenis: Vader beweert dat moeder vaak heeft gelogen en vindt dat

de leugens van moeder te ernstig zijn om te worden vergeven. De kinderen hebben dezelfde mening, ook al weten ze niet altijd welke leugens dat dan zijn. Moeder geeft aan dat ze door de aanhoudende beschuldigingen en monologen van vader haar verzet tegen vader heeft opgegeven omdat ze het niet meer aan kon. Ze heeft het eindeloze doorpraten van vader als grensoverschrijdend en uitputtend ervaren en heeft uit overlevingsstrategie hem gelijk gegeven. Ze heeft het opgegeven zich te verzetten omdat ze het zich niet kon permitteren om het met vader oneens te zijn.

9. Afwijzing op thema’s: De kinderen gebruiken een van de volgende thema’s om de afwijzing van moeder te legitimeren. De kinderen willen moeder vertellen wat ze wel of niet moet doen. Ze stellen zich boven de moeder op. Hetzelfde wat vader volgens moeder eerder ook bij haar heeft gedaan. De kinderen hebben geleerd dat ook te doen en bijvoorbeeld moeder te verwijten dat ze overheersend is en niet luistert naar wat de kinderen willen (inclusief het feit dat moeder niet berust in de wens van de kinderen haar af te wijzen), dat moeder vaak boos is en geen controle heeft over de eigen boosheid (mogelijk uitgelokt door het uitdagende en hooghartige gedrag van de kinderen). De kinderen eisen dat moeder

verantwoordelijkheid aflegt en excuus aanbiedt over de beschuldigingen die vader uit aan

het adres van moeder (wat naar de mening van moeder of niet is gebeurd of heeft plaatsgevonden in de context van gewone opvoeding). De kinderen geloven dat het feit dat moeder een nieuwe relatie heeft een aanvullende reden voor hen is om haar af te wijzen. De kinderen eisen van moeder dat zij aan hen toestemming vraagt om een nieuwe relatie te mogen beginnen. Vader heeft moeder gevraagd zich voor de kinderen te verantwoorden en bevestigt daarmee ook de rolverwarring door de kinderen op een lijn te stellen met hem, boven moeder.

Onvergeeflijke wrok: de kinderen houden vol dat de reden voor de afwijzing is dat er in het verleden iets gruwelijks is gebeurd (liegen, willen scheiden) dat niet kan worden vergeven.

10. Overmatig gebruik van appjes en telefoontjes: Vader en de kinderen maakten in de periode dat de kinderen nog bij moeder waren veelvuldig gebruik van het uitwisselen van berichtjes en het hebben van telefonisch contact. Wat een van de juffen opviel in het contact met vader was dat hij claimend over kwam. Op het moment dat de school een kamp had, wilde vader elke dag [de minderjarige 1] aan de telefoon hebben en sprak dan zo lang met hem dat juf hem erop heeft moeten aanspreken.

11. Rol-omkering van de kinderen: de kinderen worden door vader naar voren geschoven als zijnde degenen die “onafhankelijke” beslissingen nemen, die tegen moeder zijn gericht.

Vader ontkent dat de kinderen in hun mening hem volgen. Vader geeft aan: “ik ben het niet, het zijn de kinderen die geen contact willen met moeder” of “het zijn de kinderen die niet alleen gelaten willen worden met hun moeder.” Vader geeft aan de kinderen geen enkele beperking op te leggen in het contact met hun moeder. Hij geeft aan te doen wat hij kan doen, maar de kinderen niet te kunnen dwingen. Vader biedt de kinderen de gelegenheid om sms-jes naar moeder te sturen en corrigeert de kinderen niet als ze zich op een manier uitlaten die niet passend is voor hun positie als kind. In de periode dat er een omgangsregeling was van de kinderen met vader

nam vader volgens moeder buitensporig veel tijd om afscheid te nemen van de kinderen. Het afscheid riep op die manier een dramatische sfeer op. Het leek erop dat vader veel moeite had om de kinderen los te laten. School bevestigt dat het afscheidsritueel van vader met de kinderen overdreven overkomt.

12. Moeder verdient het te worden verstoten: De kinderen en vader wekken de indruk dat het gedrag van moeder (iets waarvan vader en de kinderen vinden dat zij in het verleden verkeerd heeft gedaan), het verbreken van het contact met moeder rechtvaardigt.

2.15. Met betrekking tot de overige doelen geeft vader aan dat deze gebaseerd zijn op vooronderstellingen van de gezinsvoogden, die suggereren dat aan de manier waarop vader met de kinderen omgaat, iets zou schorten. Hij geeft aan dat dat niet het geval is. Desgevraagd geeft vader aan geen eigen doelen te hebben die betrekking hebben op (de omgang met) de kinderen.

2.16. In de gesprekken met moeder komt een beeld naar voren van een moeder die voorafgaand aan de scheiding prima heeft gefunctioneerd als ouder, maar moeite heeft gehad om zich als persoon staande te houden in haar huwelijk en die zich ten opzichte van vader als overlevingsstrategie ofwel aanpaste ofwel de kinderen meenam op haar “vlucht” voor vader. Het lijkt aannemelijk dat de angst van moeder voor (het gedrag van) vader daarbij op de kinderen werd geprojecteerd en de kinderen daarmee betrokken werden in de strijd tussen ouders. Juist het gedrag wat daaruit is voortgekomen, wordt haar zowel door vader als de kinderen kwalijk genomen.

2.17. In de gesprekken met vader valt op dat vader vast houdt aan zijn eigen visie op zaken en weinig inzicht laat zien in de invloed die zijn eigen gedrag heeft op bij voorbeeld moeder of op de kinderen. Vader accepteert geen andere visies dan die van hemzelf. Moeder geeft aan dat ze momenteel geen doelen heeft die op het vlak van IAG liggen, maar dat ze graag opvoedkundige ondersteuning zou willen als de kinderen weer bij haar verblijven of wonen. Ze zou graag zien dat er op korte termijn stappen worden ondernomen om de kinderen bij vader uit huis te plaatsen en eventueel via een tussenstap, weer bij haar terug te plaatsen.

2.18. Het is duidelijk geworden welke gedragingen de kinderen laten zien in relatie tot beide ouders en ook hoe ouders met (het gedrag van) de kinderen om gaan. De kinderen lijken hun loyaliteitsconflict met de ouders te hebben opgelost door te “kiezen” voor een van hen. De kinderen lijken daarbij te hebben gekozen voor degene die het meest kwetsbaar was voor de gevolgen van de scheiding. De hechte band tussen vader en de kinderen zou kunnen worden verklaard als een vorm van “zorg” van de kinderen voor vader.

Het is opvallend dat ouders niet samen de regie voeren, maar dat vader en de kinderen dat doen. De kinderen zijn als het ware in hiërarchie gestegen en hebben het samen met vader voor het zeggen. Tot slot lijkt er geen onderscheid te zijn in hoe vader over moeder denkt en hoe de kinderen daartegenover staan. Hun posities zijn wat dat betreft met elkaar verstrengeld. De kinderen hebben niet de positie die ze toebehoren, ze staan boven moeder, naast vader en lijken met hem te zijn verstrengeld en psychologische weinig te worden begrensd. Daarbij lijken de kinderen moeder te hebben verstoten en geven ze aan daar geen enkel probleem mee te hebben. Dit, samen met de andere gedragingen die hierboven zijn genoemd, wijst erop dat de kinderen zowel wat positie als wat rol als wat hun eigen (psychologische) integriteit betreft in een overlevingsstand zitten. Validering van hun gevoelens zou een verdere versterking van de problematiek met zich mee brengen omdat daarmee de gevoelens die voortkomen uit de waan van vader en de kinderen, wordt

versterkt. De gevolgen van dit patroon van gedragingen (van wat ook wel ouderverstoting wordt genoemd), is dat de kinderen zich niet kunnen ontwikkelen tot gezonde volwassenen, maar ernstige problemen ontwikkelen op het gebied van hechting, hun ontwikkeling en hun persoonlijkheid.

2.19. De gezinshulpverlener pleit ervoor om manieren te zoeken om de kinderen weer in een goede positie en rol te brengen, zodat ze zich op een natuurlijke manier kunnen gaan

ontwikkelen. Wat daarin naar zijn mening noodzakelijk is, is dat de kinderen psychologisch weer een eigen positie krijgen, ze worden geholpen hun natuurlijke hechting weer te volgen en ze weer de plek te geven die bij kinderen past; hiërarchisch gezien onder de ouders.

MDA++

2.20. Het MDA++ heeft op 19 maart 2019 overleg gehad met de ouders. Uit de notulen van dit overleg blijkt dat er geen concrete feiten zijn waaruit zou blijken dat het onveilig is voor de kinderen om bij de moeder te zijn. Er staat beschreven dat het een bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen is dat het de ouders nu niet lukt om samen het opvoederschap vorm te geven. Uit het verslag blijkt dat de RvdK onlangs op een zitting heeft geadviseerd de omgang uit te breiden en het contact tussen de moeder en de kinderen te normaliseren. De vader heeft tijdens het overleg aangegeven dat het nodig vindt dat de omgang begeleid wordt. Het advies wat vanuit het MDA++ wordt gegeven, is dat er wordt ingezet op het verbeteren van de communicatie tussen ouders door middel van een systeem therapeutische benadering waarbij onder andere wordt gekeken naar welk oud zeer er zit en hoe het vertrouwen in elkaar als ouders in voldoende mate kan worden hersteld, zodat de kinderen er geen last van ondervinden. De kinderen hebben recht op beide ouders en ze hebben beide ouders nodig om zich op een gezonde manier te ontwikkelen. De kinderen hebben baat bij voorspelbaarheid en duidelijkheid. Voorts is afgesproken dat de Inter-Psy wordt uitgenodigd voor een volgende bijeenkomst om duidelijk te maken wat zij hierin kunnen bieden.

2.21. Uit de notulen van het MDA++ van 21 mei 2019 blijkt dat Inter-Psy aan heeft gegeven het niet beter te kunnen dan KKE en IAG. Het nu starten met herstelgesprekken tussen de kinderen en de moeder doet mogelijk meer schade dan gewenst. Inter-Psy adviseert tijdens het overleg, en later in een e-mail van 4 juni 2019 nogmaals, dat de kinderen eerst uit de invloedssfeer van de vader moeten om een behandeling effectief te kunnen laten zijn.

Raadsonderzoek

2.22. In zijn rapport van 16 augustus 2019 heeft de RvdK geadviseerd het hoofdverblijf van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 2] bij de vader te bepalen. De RvdK is van mening dat de hoofdverblijfplaats bij vader het meest tegemoet komt aan de belangen van de kinderen momenteel. De kinderen verblijven al geruime tijd volledig bij vader. Door de hoofdverblijfplaats bij vader te bepalen, wordt aangesloten bij de feitelijke situatie. Er speelt veel onrust bij de kinderen over hun verblijfplaats, de RvdK verwacht dat het de kinderen rust geeft als formeel is vastgelegd dat zij bij vader mogen blijven wonen en dat dit ruimte biedt voor contact met moeder.

Ten aanzien van de zorgregeling acht de RvdK het wenselijk dat de wekelijkse zorgregelingen in de huidige vorm blijven doorgaan. Dit betekent dat de moeder wekelijks voor de duur van vier uur omgang heeft met de kinderen, welke start en eindigt vanaf het kantoor (“het lokaaltje”) van het Regiecentrum in Leeuwarden.

2.23. Ter onderbouwing heeft de RvdK het volgende opgemerkt in zijn rapportage. Het scheidingsproces van ouders is voor de kinderen niet wenselijk verlopen. Door moeders vertrek, terugkeer en definitieve vertrek uit het ouderlijk huis hebben de kinderen een turbulente, voor hen onduidelijke en moeilijk te begrijpen start van de scheiding meegemaakt. Ze gaan aanhoudend gebukt onder de onrustige situatie die sinds ongeveer 2,5 jaar aanhoudt (o.a. moeder vertrekt diverse keren met en zonder kinderen, moeder zet de co-ouderschap stop zonder overleg, [de minderjarige 1] verhuist zonder toestemming naar vader, [de minderjarige 2] schrijft stiekem brieven aan [de minderjarige 1] in de periode toen [de minderjarige 1] bij vader is gaan wonen en zij nog bij moeder woonde; ook [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verhuizen zonder toestemming van moeder naar vader, alle drie de kinderen weigeren tot drie keer toe in juni 2019 om voor de omgang uit de auto te stappen waarna vader onverrichterzake weer met hen vertrekt)

en dat een contactregeling met moeder zeer moeilijk tot stand komt. Vader geeft aan dat de kinderen er meer last van hebben en dat ze slechter slapen, omdat de onzekerheid of ze bij vader mogen blijven wonen toeneemt. De school van [de minderjarige 1] geeft aan dat hij slecht slaapt, wat witjes en gelaten oogt. [de minderjarige 1] geeft aan zich niet gehoord te voelen en angst te hebben zijn hoofdverblijf bij vader kwijt te raken. De gesprekken die zes verschillende instanties met de kinderen hebben gevoerd lijken onvoldoende geholpen te hebben om het vertrouwen in moeder te herstellen.

[de minderjarige 1] is volgens betrokken instanties het meest afwijzend ten aanzien van het contact met moeder. De meisjes laten enige ruimte zien om – op hun voorwaarden – wel contact met moeder te willen hebben. Verschillende instanties zijn in het laatste jaar bij het gezin en de kinderen betrokken geweest o.a. het KKE en IAG. Vader is het oneens met de beweringen van het KKE en IAG.

De RvdK is het eens met de visie van het KKE die aangeeft dat er sprake is van kindermishandeling. Het aanleren en voordoen hoe je contacten met anderen legt in het leven is bij de kinderen verstoord geraakt. Ook is het KKE van mening dat zolang vader dezelfde houding blijft aanhouden therapie door het KKE zinloos is, omdat de kinderen nog meer in strijd komen met hun eigen gevoelens en gedachten. Ook deze conclusie kan de RvdK volgen.

Het IAG constateert opvallend gedrag bij de kinderen ten opzichte van hun moeder: zij zien onderdrukking van het hechtingssysteem aan de kant van moeder:

-waanvoorstelling: de kinderen denken slachtoffer te zijn van moeder;
-kinderen positioneren zich boven moeder en laten tegelijkertijd angst voor moeder zien; -ondersteuning van vader in de afwijzing van moeder door de kinderen;
-de onvergeeflijke gebeurtenis (volgens vader en kinderen heeft moeder veel
gelogen);
-de kinderen eisen dat moeder verantwoordelijkheid aflegt en excuus aanbiedt.

Opvallend is dat de kinderen op school nauwelijks kindsignalen laten zien, terwijl dat gezien de onrustige situatie, passend zou zijn. De RvdK weet dat intelligente kinderen in staat zijn om dergelijke situaties lang vol te houden en dat vaak pas jaren later blijkt, wanneer de situatie enigszins stabiel en veilig genoeg is, hoezeer ze emotioneel en sociaal in de verdrukking hebben geleefd. De RvdK kan het uitblijven van de kindsignalen dan ook niet als positief labelen.

Ouders en kinderen wonen dicht bij elkaar in hetzelfde dorp wat maakt dat de

kinderen constant in de strijd zitten en letterlijk nooit afstand kunnen nemen van deze buitengewone situatie. De kans dat [de minderjarige 1] bij plaatsing bij moeder weg gaat lopen, acht de RvdK reëel. Door de aanhoudende strijd tussen ouders zitten de kinderen in een onmogelijke

spagaat, dan wel in een negatieve spiraal. Van kinderen kun je nooit verwachten dat ze een keuze tussen hun ouders maken want dit zorgt voor gevoelens van verlating, van angst om te verliezen waardoor hun basisveiligheid wordt aangetast. Ze kiezen voor één van de ouders om te kunnen overleven.

2.24. Even leek het de goede kant op te gaan in de interactie tussen ouders want ouders coöpereerden op basis van een ouderschapsplan dat inhield een week op en week af regeling vanaf de zomer van 2017. In het najaar van 2017 heeft moeder het co-ouderschap na overleg met het Gebiedsteam en Veilig Thuis eenzijdig stop gezet, volgens haar vanwege het toenemende negatieve gedrag van de kinderen bij de wisseling van vader naar moeder.

Belemmerend betreffende moeder vindt de RvdK dat moeder het gesprek met de kinderen over wat er gaande is en haar rol hierin, niet voert. Moeder heeft hierbij hulp nodig.

Belemmerend vindt de RvdK verder dat vader het niet als zijn verantwoordelijkheid ziet om de kinderen te ondersteunen bij het creëren van een positiever beeld over moeder. Dat de kinderen boosheid ervaren naar moeder past overwegend bij hun leeftijd, maar het is vaders rol om de

kinderen bij herhaling -in neutrale termen- ook de context van de echtscheiding van ouders te vertellen. Vader verwaarloost zijn kinderen op emotioneel gebied, vindt de

RvdK, want het wantrouwen tegen moeder groeit mede door de houding van vader in plaats van dat het vermindert. Daarnaast is het zorgelijk dat vader de hulpverleners deels of in het geheel afwijst die kritisch zijn over zijn rol. Dit geldt onder andere voor de eindevaluatie van IAG en het KKE. Vader zegt dat hij de scheiding heeft verwerkt, maar de RvdK denkt het tegenovergestelde te zien en vraagt zich af of er bij vader in enige mate sprake is van een echtscheidingstrauma.

2.25. De kinderen hebben sinds eind 2017 moeder alleen onregelmatig en onder wisselende condities kunnen zien (onbegeleid, begeleid, op kantoor, elders etc.). In april, mei en juni 2019 weigeren de kinderen onbegeleide omgang met als uitzondering de omgang op 31 mei 2019. De door de rechtbank op 4 juli 2019 opgelegde zorgregeling is in de maanden juli en augustus 2019 doorgegaan zoals gepland (onbegeleid in “het lokaaltje” van de GI). De ouders hebben verslagen gemaakt van deze omgangsmomenten. Uit deze verslagen blijkt vooral dat afstemming en communicatie tussen ouders op wezenlijke gebieden ontbreken. Wanneer er door ouders geen duidelijke kaders worden geschapen ontstaat naar de mening van de RvdK spanning bij de kinderen (bijvoorbeeld met wie en waar lunchen de kinderen) die ze tackelen door partij te kiezen en/of de regie te pakken. Dit is beschadigend. Ouders hebben de vaardigheid (nog) niet om de problemen die ze met elkaar hebben, aan te gaan. Ze praten niet met elkaar. Het venijn zit erin dat ouders de oplossingen bij de ander neerleggen en niet bij zichzelf. Ze gaan daarmee voorbij aan de beleving van de ander en eisen het onmogelijke, namelijk dat de ander van gedrag verandert. Ouders zouden hun verantwoordelijkheid moeten nemen en de ander, ondanks dat hij of zij een andere visie heeft ten aanzien van de gebeurtenissen, de scheiding etc., de erkenning moeten geven voor de gevoelens en angsten. Dit zal ruimte bieden in het contact met de ander, in het

belang van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .

2.26. Positief is dat er signalen zijn waaruit valt af te leiden dat er wel een opening mogelijk is. Ten eerste is de onbegeleide omgang in de maanden juli en augustus 2019 op het kantoor van het Regiecentrum volgens planning doorgegaan. Continuïteit is belangrijk omdat het duidelijkheid en daarmee veiligheid geeft. Positief is het ook dat alle drie de kinderen tijdens de omgang op 1 augustus 2019 op initiatief van moeder een schilderij voor vader hebben gemaakt, die op 6 augustus jarig is geweest.

Andere positieve tekenen: volgens vader willen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] samen met moeder in de Hema thee gaan drinken. En [de minderjarige 3] geeft aan dat de enige reden is geweest dat ze niet uit de auto kon stappen om contact met moeder te hebben, is omdat ze tussen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in heeft gezeten. Positief van moeder is ook dat ze op 28 juni 2019 de omgang heeft afgezegd. Dit was in het belang van de kinderen, omdat de kinderen al drie keer achter elkaar in de auto van vader waren blijven zitten. Ze heeft hen daarmee een stressmoment bespaard.

2.27. De weerstand van de kinderen en hun keuze voor vader is vanuit de kinderen bezien begrijpelijk, maar vanuit de visie van de RvdK niet wenselijk. Wenselijk vindt de RvdK om moeder positief te belichten en het verantwoordelijkheidsgevoel van vader ten opzichte van de positionering van moeder te vergroten. Vader en moeder hebben de sleutel in handen om te komen tot goede afspraken over hun kinderen. In deze is het ook van belang goed te bezien wat zowel vader als ook moeder individueel, maar ook gezamenlijk, nodig hebben om toe te werken naar een goedlopende zorgregeling. Het is belangrijk dat de band die er nog is tussen moeder en de meiden behouden blijft en uitgebreid wordt en tussen moeder en [de minderjarige 1] hersteld wordt. De sleutel lijkt ook te liggen in het doorlopen van het scheidingsproces en stil te staan bij de pijn van de kinderen, waarbij moeder erkenning geeft voor de zaken die zij niet goed heeft aangepakt. De pijn van de kinderen kan mede liggen in hun signalering dat moeder plaatsvervangend “drie nieuwe kinderen” heeft, zijnde de zonen van haar partner. Voor deze mogelijke en voorstelbare pijn dient aandacht te zijn.

Vader dient op zijn beurt uit te stralen dat hij, los van zijn eigen ervaringen en visie, moeder steunt en poogt om samen op één lijn te liggen. Vader dient de situatie te normaliseren, een plekje te bieden aan moeder in het leven van de kinderen. Mogelijk kunnen de kerken van ouders een positieve bijdrage leveren in het doorbreken van de status quo. Daarnaast denkt de RvdK ook aan buddy’s voor de kinderen, die langdurig contact blijven houden (o.a. biedt Villa Pinedo dit aan) zodat ze een neutraal aanspreekpunt hebben voor wat hen al sinds jaren

overkomt. Aanvullende hulp is noodzakelijk voor zowel de ouders als ook de kinderen gezien de lang aanhoudende en onverminderde belasting voor alle gezinsleden. De RvdK

denkt ten aanzien van de ouders bijvoorbeeld aan een persoonlijkheidsonderzoek vanwege de onduidelijkheden in de persoonsontwikkeling van ouders, waarna bepaald kan worden welke hulp specifiek kan worden ingezet. Betreffende de kinderen denkt de RvdK aan psycho-educatie, neutrale uitleg van de situatie, en het opstellen van een levenslijn bij bijvoorbeeld een integratief werkende kindertherapeut.

2.28. De RvdK heeft ter zitting het volgende geadviseerd. De RvdK is van mening dat er een eindbeslissing dient te komen. De ouders zitten in een enorm ingewikkeld proces, waarin de kinderen ook worden meegenomen. Als de situatie zo blijft doorgaan, dan worden de kinderen zeer bedreigd in hun ontwikkeling. De RvdK stelt dat het veel te eenzijdig is om te zeggen dat er sprake is van een verstoorde moeder-kind verhouding: er zijn veel meer aspecten die bijdragen aan deze verstoorde verhoudingen. Het is aan de ouders om een stap richting de kinderen te doen, hoe moeilijk dat ook is. Ouders moeten zich voortdurend blijven realiseren wat zij kunnen doen om de kinderen te helpen, zonder hun eigen emotie voorop te stellen.

Standpunt GI naar aanleiding van het Raadsrapport

2.29. De GI voert het volgende ter zitting aan. De GI sluit zich aan bij het rapport van de RvdK. Het is in het belang van de minderjarigen dat hun hoofverblijf bij de vader wordt bepaald. Er dient duidelijkheid en rust te ontstaan voor de minderjarigen ten aanzien van hun toekomstperspectief. Indien het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder wordt bepaald, zullen de kinderen alleen maar meer weerstand krijgen richting moeder. Een tussenstap, waarbij de kinderen eerst op een neutrale plek zonder ouders verblijven, zal traumatiserend zijn voor de kinderen, zo schat de GI in. De omgangsmomenten in het “lokaaltje” van de GI zijn de laatste periode allemaal doorgegaan. De GI heeft geprobeerd om de omgang te normaliseren, maar dat lukt niet. De GI heeft geen zorgen over de opvoedkwaliteiten van moeder. De invloed van vader op de kinderen is groot en de GI is nog steeds van mening dat de vader hierin een slag moet maken. De GI zou graag zien dat ouders een persoonlijkheidsonderzoek bij het NIFP zouden laten doen. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijke persoonlijkheidsproblematiek bij de ouders en welke therapie ouders hierbij nodig hebben. Ouders zitten nog erg op ex-partner niveau en zij zouden met behulp van therapie kunnen gaan werken naar gezamenlijk ouderschap, waarbij de kinderen worden meegenomen. Tijdens een dergelijk traject is het van belang dat de kinderen hun moeder blijven zien.

Standpunt van de vader

2.30. De vader kan instemmen met het advies van de RvdK, in zoverre dat hij graag vastgelegd ziet dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem wordt bepaald. Het is in het belang van de kinderen dat zij op korte termijn duidelijkheid krijgen over hun hoofdverblijfplaats. Ten aanzien van de zorgregeling met de moeder, is de vader van mening dat eerst ingezet moet worden op herstel van de moeder-kindrelatie. De vader is van mening dat er daarom eerst (tijdelijk) geen omgang moet zijn, waarna de kinderen in de toekomst in alle rust de omgang met de moeder weer kunnen opbouwen. Dit op vrijwillige basis, zodat er weer enige ontspanning in komt. De omgang zoals deze de laatste maanden heeft plaatsgevonden bij de GI is in die zin goed geweest, omdat er dan contact is tussen de moeder en de kinderen, maar ondertussen verandert er qua intensiteit niet veel. Voor zowel de moeder als de kinderen zijn die omgangsmomenten verplichte nummertjes waar je niet jaren mee door kan gaan omdat niemand er blij van wordt, aldus de vader.

Standpunt van de moeder

2.31. De moeder vindt de conclusies van de RvdK teleurstellend en zij snapt deze niet. Zij is van mening dat het advies geen stap vooruit is, want er wordt aangesloten bij de huidige situatie die qua omgang was bedoeld als tijdelijke noodoplossing. In alle stukken wordt erover gesproken dat de vader zijn houding moet veranderen, maar dat doet hij niet. Er is op de vorige zittingen gesproken over de kinderen en hoe zij zich verschillend op lijken te stellen ten opzichte van de moeder. Vooral de jongste lijkt een ander beeld te laten zien. De moeder zou graag zien dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar krijgen, dan krijgen de kinderen ruimte en kunnen ze een relatie met de moeder opbouwen. Als het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader wordt bepaald, zou de moeder graag een onbelaste en normale omgang wensen met de kinderen. Bij voorkeur ergens in de buurt van hun woonplaats, omdat de moeder en de kinderen nu allemaal drie kwartier heen en drie kwartier terug moeten rijden naar de GI terwijl er geen reden bestaat voor begeleide omgang.

Oordeel van de rechtbank

3.1. De rechtbank stelt voorop dat de kinderen aanhoudend gebukt gaan onder een zeer onrustige situatie die gekenmerkt wordt door onveiligheid en waarbij er ernstige zorgen zijn over de kinderen nu zij hun moeder verstoten. De rechtbank overweegt dat de kinderen tot eind 2017 de moeder kwalificeren als een goede en zorgzame moeder, in welk beeld verandering komt wanneer zij eind 2017 bij hun vader gaan wonen. Vanaf dat moment lijkt het beeld van de kinderen over hun moeder drastisch te veranderen. De kinderen denken op dit ogenblik van helemaal tot overwegend negatief over hun moeder. Partijen twisten over de oorzaak hiervan en over de oplossing hiervoor.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor aangehaalde rapportages van met name het KKE en IAG blijkt dat de kinderen op dit moment worden blootgesteld aan emotionele verwaarlozing, die geduid kan worden als een vorm van kindermishandeling. De houding van de vader zorgt ervoor dat de kinderen zich verwijderd hebben van hun moeder. De rechtbank herkent zich op grond van het verhandelde ter zitting volledig in het door de deskundigen (RvdK, KKE en IAG) geschetste beeld van de situatie en de rol die met name de vader daarin heeft ingenomen. De vader ondersteunt de kinderen in het volledig afwijzen van hun moeder, en plaatst zichzelf en de kinderen daardoor boven de moeder.

3.3. De vader heeft weliswaar verklaard voorstander te zijn van normale omgang tussen de moeder en de kinderen en heeft meermalen benadrukt dat hij er alles aan wil doen om dit mogelijk te maken, maar de vader komt de rechtbank niet geloofwaardig over. De vader betoogt namelijk telkens dat er iets moet gebeuren voordat die omgang kan gaan plaatsvinden of stelt hieraan voorwaarden, zoals enkel begeleide omgang. Daarbij legt hij de verantwoordelijkheid geheel bij de moeder, en niet bij zichzelf. Zo heeft de vader bij herhaling benadrukt dat eerst onderzocht moet worden wat de reden is dat de kinderen geen normale omgang met hun moeder willen hebben (de “probleem-analyse”), dat het aan de moeder ligt dat er geen normale omgang kan plaatsvinden vanwege “de verstoorde moeder-kind relatie” en dat geluisterd moet worden naar de wens van de kinderen. Voorts heeft de vader tijdens de zitting op 20 augustus 2019 bovendien bepleit dat er eerst een periode zonder omgang dient te zijn waarin de moeder dient te werken aan verbetering van de “verstoorde moeder-kindrelatie”. De vader zwijgt echter geheel over zijn eigen rol, zodat de rechtbank ernstig twijfelt aan het zelfinzicht van de vader.

3.4. Diverse betrokken deskundigen hebben de vader uitgelegd wat hij zou kunnen doen om de situatie voor de kinderen te vergemakkelijken en de omgang normaler te laten verlopen. Ondanks die adviezen, die ook tijdens eerdere zittingen door de rechtbank met de vader zijn besproken, is de omgang niet beter gaan verlopen. De vader heeft als reactie op de adviezen van de hulpverleners aangegeven dat hij zich hierin niet herkent en heeft de adviezen, ook van de rechtbank, in de wind geslagen. Het is dan ook niet vreemd dat de kinderen bij herhaling

geweigerd hebben uit de auto te komen op de momenten dat de vader de kinderen bracht voor een omgangsmoment bij het zwembad of op een andere openbare locatie. Volgens de vader willen de kinderen immers enkel omgang in ‘het lokaaltje’, willen zij dit niet verlaten omdat het elders onveilig is en dient de mening van de kinderen gevolgd te worden. De vader blijft de kinderen steunen in het door de vader gecreëerde beeld dat de moeder niet te vertrouwen is.

3.5. De situatie is sinds eind 2017, toen de kinderen bij de vader zijn gaan verblijven, alleen maar verder verslechterd. Daarbij is het zeer opvallend dat de moeder in zeer korte tijd van een belangrijke, vanzelfsprekende en liefdevolle opvoeder is veranderd in een moeder die de kinderen niet veilig achten en hen zou willen ontvoeren. De rechtbank heeft, gezien de diverse rapportages, de overtuiging dat dit komt door de rol van vader en zijn opstelling die wordt ingegeven door wrok vanwege de door de moeder gekozen echtscheiding. De vader probeert de moeder uit het leven van de kinderen te bannen, en projecteert zijn gevoelens en mening op de kinderen. Het IAG heeft in dat kader ook gesproken over waanvoorstellingen van de kinderen, waarbij zij denken het slachtoffer te zijn van de moeder en dat er sprake is van een onvergeeflijke gebeurtenis. In dit kader is het bijzonder zorgelijk dat de kinderen (13, 11 en 6 jaar) op hun leeftijd de moeder ter verantwoording roepen en excuses van haar eisen. De rechtbank heeft daarbij sterk de indruk dat hun mening enkel door hun vader is ingegeven en niet meer vanuit de kinderen zelf kan worden gevormd. De vader imponeert als een zeer overheersende man die op geen enkele wijze tegenspraak duldt.

3.6. De rechtbank heeft er geen enkel vertrouwen in dat toewijzing van het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen, zal leiden tot een normalisering van de situatie en dus een gewone omgang tussen de moeder en de kinderen. Dit is immers de afgelopen periode van 21 maanden ook niet gebeurd, in tegendeel zelfs. De rechtbank kan het advies van de RvdK dan ook niet volgen en de door de RvdK genoemde ‘positieve signalen’ voor een opening ziet de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat de invloed van de vader zodanig groot is, dat de kinderen met de vader als hoofdopvoeder niet anders kunnen dan zich blijven afkeren van hun moeder, zonder dat daarvoor een reden aanwezig is. Weliswaar heeft de moeder tijdens het uiteengaan van partijen, een periode die zeer onrustig was voor de kinderen, keuzes gemaakt die veel indruk hebben gemaakt op de kinderen, maar met de juiste duiding van die situatie hadden de kinderen de kans gekregen een genuanceerd beeld van het gebeurde en van hun moeder te behouden. Nu wordt gesproken van onvergeeflijke gebeurtenissen en van “ontvoering” en lijkt de moeder steeds verder te worden gedemoniseerd aan de hand van relatief kleine voorvallen die worden uitgelegd alsof de moeder de kinderen niet respecteert in hun mening en hun in de steek gelaten heeft. Dit dient de vader te worden toegerekend.

3.7. De rechtbank is van oordeel dat de schadelijke situatie waarin de kinderen verkeren, zo spoedig mogelijk dient te worden opgeheven. Dit kan binnen het huidig juridisch kader alleen door het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, toe te wijzen. De kinderen moeten uit de invloedsfeer van de man gehaald worden. De rechtbank ziet dit als de enige mogelijkheid om de kinderen in de gelegenheid te stellen om hun band met hun moeder te herstellen dan wel te verbeteren en de kindermishandeling waaraan zij bij de vader worden blootgesteld te stoppen. Het advies van de RvdK om het hoofdverblijf bij de vader te bepalen en om vervolgens een persoonlijkheidsonderzoek te doen bij de ouders en daarna te bekijken welke hulp moet worden ingezet, kan de rechtbank niet volgen, nu zowel het KKE als IAG een intensief traject met partijen zijn aangegaan en (eenvoudig gezegd) geconcludeerd hebben dat het de vader is die zal moeten veranderen. Vervolgens heeft Inter-Psy na een intake geconcludeerd dat zij niets kunnen betekenen zolang de kinderen in de invloedsfeer van vader zitten. De rechtbank verwacht ook niet dat de duidelijkheid over het hoofdverblijf iets zal veranderen aan de door de vader ingegeven afkeer van de moeder bij de kinderen en dat de hulpverlening dan wel tot een positief resultaat kan leiden.

3.8. De rechtbank voorziet dat het wijzigen van het hoofdverblijf niet eenvoudig zal zijn en voor de kinderen zal dit gedurende een periode heftig zijn. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank

echter niet op tegen de schadelijke situatie die langdurig zou voortduren wanneer de kinderen bij de vader blijven wonen en aan zijn beïnvloeding blootgesteld blijven.

3.9. Net als de RvdK ziet de rechtbank het risico dat [de minderjarige 1] wegloopt en naar zijn vader gaat. De rechtbank kiest er bewust voor om deze mogelijkheid niet leidend te laten zijn bij de beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen. De rechtbank beschouwt het als haar taak om een beslissing te nemen waarmee op de langere termijn de beste situatie voor de kinderen wordt nagestreefd, niet om een beslissing te nemen “omdat het niet anders kan”. Het is aan de ouders en de betrokken gezinsvoogden om te zorgen dat de kinderen geholpen worden om uitvoering te geven aan deze uitspraak. Indien [de minderjarige 1] terugkeert naar zijn vader, is het de taak van de vader om tegen [de minderjarige 1] te zeggen dat iedereen de beslissing van de rechtbank dient op te volgen en dat [de minderjarige 1] niet zelf kan beslissen waar hij gaat wonen en dat hij terug moet naar zijn moeder.

3.10. De rechtbank acht het van groot belang dat de kinderen de gelegenheid wordt geboden om rustig te wennen aan hun nieuwe situatie en om de band met hun moeder te herstellen. De rechtbank wil de betrokken gezinsvoogden meegeven dat de rechtbank het liefst zou zien dat de moeder en de kinderen eerst op een neutrale plek de kans en tijd krijgen om weer aan elkaar te wennen en daarbij begeleid te worden. De rechtbank beseft dat dit een zeer lastige taak is, maar acht het in het belang van de kinderen dat zij enkele weken achtereen tijd met alleen de moeder gaan doorbrengen. Om dit te bewerkstellingen, zal de rechtbank in ieder geval bepalen dat de kinderen voor minimaal vier weken uit de invloedsfeer van vader dienen te blijven. Dit betekent geen bezoeken van en aan vader, geen telefonisch contact of app-wisselingen met vader. Na afloop van die periode zal het contact met de vader alleen gedurende maximaal 1 uur per week begeleid kunnen plaatsvinden op een neutrale locatie. De rechtbank benadrukt dat het daarbij gaat om omgang waarbij voortdurende begeleiding en toezicht aanwezig is, teneinde te kunnen voorkomen dat de vader de kinderen bij die gelegenheid opnieuw opzet tegen de moeder. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om een uitgebreidere omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de rapportages, eerst duurzaam moet blijken dat de vader de kinderen hun moeder gunt, niet langer negatief over haar spreekt of haar demoniseert en hij de kinderen emotioneel toestemming geeft om bij de moeder te wonen. Pas indien hiervan blijkt, bijvoorbeeld uit de resultaten van een door de vader ondergaan persoonlijkheidsonderzoek, en het beeld van hun moeder genormaliseerd is en de band hersteld, waarvoor geruime tijd nodig zal zijn, kan een uitbreiding van de omgang worden heroverwogen.

3.11. Op basis van de houding van de vader ter zitting en de manier waarop hij zich overtuigd toont van zijn eigen gelijk, voorziet de rechtbank problemen in de nakoming van deze beslissing. Om te bewerkstelligen dat de vader zijn medewerking verleent aan de uitvoering van de wijziging van het hoofdverblijf door afgifte van de kinderen aan de moeder, zal de rechtbank gebruik maken van de ambtshalve bevoegdheid om aan de veroordeling tot afgifte van de kinderen een dwangsom te verbinden als na te melden. De rechtbank merkt daarbij op dat de dwangsom ook verschuldigd is indien de kinderen na terugkeer naar hun moeder weer teruggaan naar hun vader. Op de vader rust dus in die situatie uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid om de kinderen dan weer naar de moeder terug te geleiden. Voorts zal de rechtbank bepalen dat de moeder deze beslissing met behulp van de sterke arm ten uitvoer kan leggen, zoals dat uit de wet ook reeds voortvloeit, maar waarover geen onduidelijkheid mag bestaan.

3.12. Ten slotte zal de rechtbank bepalen dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is, omdat het belang van de kinderen maakt dat zij per direct uit de invloedsfeer van de vader moeten worden gehaald. Als zij langer bij de vader blijven, blijft de situatie waarin zij worden mishandeld immers onnodig langer bestaan.

3.13. De rechtbank wil [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] meegeven dat dit een beslissing is van de rechtbank. Een beslissing die heftig is en niet is wat zij zeggen te willen, maar wel een beslissing die in hun belang noodzakelijk is. Deze beslissing is niet de schuld

van hun moeder, zoals de vader op de zitting heeft geuit, maar een beslissing van de rechtbank die nodig is om de kinderen in hun leven zowel een moeder als een vader te gunnen. De rechtbank gaat er vanuit dat de GI en de hulpverlening als neutrale instanties deze beslissing van de rechtbank aan de minderjarigen uitleggen en het voornoemde benadrukken.

Beslissing

De rechtbank:

4.1. bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2006, [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 en [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012, voortaan hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder en veroordeelt de vader tot afgifte van de minderjarigen aan de moeder binnen een dag na betekening van deze beschikking en bepaalt dat deze beschikking met behulp van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd;

4.2. veroordeelt de vader om aan de moeder een dwangsom te betalen van € 25.000,00 per dag of dagdeel dat de vader na betekening van deze beschikking door de deurwaarder hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 per keer;

4.3. bepaalt dat de vader minimaal vier weken na het afgeven van de kinderen aan de moeder geen contact zal hebben met de kinderen. Indien de GI na ommekomst van minimaal vier weken van mening is dat de omgang met de vader kan worden hersteld, zal dit een begeleid contact zijn van maximaal eenmaal per week één uur op een neutrale locatie;

4.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5. wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van het contact, de zorgregeling en het

hoofdverblijf;

4.6. houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de alimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan voor verdere behandeling door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank.

page16image63205184

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mrs. F. van der Meulen, J. Teertstra en G.J. Baken, leden van de kamer, tevens kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 18 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
– door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
– door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het

page17image63162432
page17image63162624