Co-ouderschap, soms kan het:

Mooie reportage over co-ouderschap in Volkskrant 12 januari 2019

Tot voor kort ging het zo: kinderen bleven na een scheiding bij hun moeder wonen. Met vaders was er een logeer- of bezoekarrangement. Maar het co-ouderschap neemt een vlucht: al ruim een kwart van de kinderen woont na een scheiding bij beide ouders. Wat doet dat opgroeien in twee huizen, en de wekelijkse verplaatsing die daarbij hoort, met hen?Ianthe Sahadat11 januari 2019, 15:00

Fleur Harshagen (18) thuis bij haar vader (links buiten beeld) in Lienden, met haar opa op de bank. Al vijftien jaar verplaatst Fleur zich tweemaal per week tussen de huizen van haar co-ouderende vader en moeder. Beeld Katja Poelwijk

Op vrijdagen wordt Fleur Harshagen (18) wakker in haar bed in Lienden, op zaterdagen in haar bed in Venlo. Niet omdat ze op kamers woont, maar omdat Fleur en haar broer Quincy (17) zich tweemaal per week verplaatsen tussen de huizen van hun co-ouderende vader en moeder. Dat doen ze al vijftien jaar.

Fleur en Quincy vormen geen uitzondering. Elke dag zijn er in Nederland tienduizenden thuiswonende kinderen die om de zoveel dagen van huis, ouder en eventuele aanhang wisselen. In 2000 woonde nog maar 5 procent van alle kinderen na een scheiding bij beide ouders, nu is dat al 27 procent. (De rest, een meerderheid nog altijd, woont na een scheiding bij één van de ouders, meestal de moeder).

Permanent pendelen tussen twee huizen en twee gezinnen, vaak aangevuld met stiefouders, plus-, bonus-, hele of halve broers en zussen. Altijd wonen op twee plekken met bijbehorende verdwenen gymspullen, dubbele knuffels, verschillende opvoedstijlen, twee keer je verjaardag vieren en extra opa’s en oma’s. Hoe is dat eigenlijk?

Onderzoek naar co-ouderschap blijkt ingewikkeld. Bij gebrek aan een (juridische) definitie veroorzaakt alleen al de vraag wat het nou precies is debat. Een gelijke verdeling van het ouderschap, gaat dat over kwaliteit of over kwantiteit en hoe meet je dat?

Sommige onderzoekers zijn strikt, zij tellen alleen een 50-50-verdeling als co-ouderschap. Anderen nemen de definitie ruimer. Zo worden verdelingen van 60-40 of 70-30 ook co-ouderschap genoemd. Voornaamste voorwaarde volgens de experts is: het ‘gewone’ leven van het kind wordt bij beide ouders geleefd. School, vriendjes, sport. Kinderen die elke twee weken een weekend bij de andere ouder zijn, groeien dus niet op in co-ouderschap.

Een op de vijf volwassen kinderen uit een scheiding heeft geen tot zeer weinig contact met hun vader, bleek afgelopen herfst nog uit een groot onderzoek van het CBS en de Universiteit van Amsterdam. Zij ervoeren dit als een groot gemis. De trend van co-ouderschap die in de jaren negentig opkwam en een vlucht heeft genomen sinds de wettelijke invoering van het verplichte ouderschapsplan, schriftelijke afspraken over de kinderen, heeft het tij gekeerd. Vaders verdwijnen steeds minder uit beeld.

Fleur met haar vader. Beeld Katja Poelwijk

De eerste resultaten van onderzoek naar opgroeien in co-ouderschap lijken veelbelovend. Een opvallende studie is die van de Finse socioloog Jani Turunen (Universiteit van Stockholm) uit 2017 naar het stressniveau van kinderen na een scheiding. Deze studie laat zien dat stress niet zozeer afhankelijk is van de relatie tussen de ouders, maar vooral van de relatie van het kind met beide ouders. Hij ontdekte dat kinderen die ongeveer evenveel tijd bij beide ouders doorbrengen de minste stress ervaren, zelfs als er conflict is tussen de ouders. Turunen betoogt in zijn conclusie dat leven in twee huizen geen instabiliteit is maar juist een nieuwe vorm van stabiliteit.

Dan is er de Amerikaanse overzichtsstudie uit 2017 van veertig internationale studies, die toont dat het op alle fronten gemiddeld goed gaat met deze groep kinderen. Ze doen het beter op school, hebben minder last van psychische en gedragsproblemen en zijn tevredener met hun leven dan kinderen die bij een van beide ouders (meestal de moeder) opgroeien. Het voordeel van wonen bij twee ouders weegt op tegen het nadeel van leven in twee huizen, schrijft hoofdonderzoeker en psycholoog Linda Nielsen (Wake Forest University).

Halleluja voor het co-ouderschap dus? Zo simpel is het niet. De studies hebben tal van beperkingen, zeggen experts. Nielsen noemt in haar slotwoord een belangrijk nadeel dat de door haar vergeleken (grotendeels Amerikaanse) studies gemeen hebben: alle vragen over het kinderwelzijn zijn beantwoord door ouders, niet door kinderen.

De onderzoeken laten zien dat het gemíddeld goed gaat, zegt socioloog en gezinsonderzoeker Anne-Rigt Poortman (Universiteit Utrecht). ‘Wat bijvoorbeeld wel opvalt: co-vaders waren voor de scheiding gemiddeld al meer betrokken bij de opvoeding. Dan is het mogelijk de continuering van het betrokken vaderschap die goed is voor de kinderen.’ Dingen die hetzelfde blijven of niet te ingrijpend veranderen, daar gedijen de meeste kinderen nu eenmaal goed bij.

Poortman wijst op nog een ‘probleem’. ‘De groep ouders die voor co-ouderschap kiest, is vaker hoogopgeleid, heeft weinig persoonlijke problemen en weet na beëindigen van hun relatie zonder al te grote strijd de zorg voor hun kinderen voort te zetten. Dus gaat het gemiddeld goed met deze kinderen vanwege het co-ouderschap, of omdat ze sociaal-economisch sterke en emotioneel stabiele ouders hebben die weinig conflict met elkaar hebben?

Dat laatste, zo beweerden onderzoekers van het Deense nationale onderzoeksinstituut SFI in 2012. Ze keken naar het welbevinden en de schoolprestaties van een groep van 11- tot 15-jarigen en naar de opleiding en financiële middelen van de ouders. In deze studie was de kinderen en jongeren zelf gevraagd hoe het met hen en met hun ouders ging, hoeveel ruzie hun ouders maakten en waarover.

Tekst gaat verder onder de video.

Maar toch, ondanks de beperkingen van de studies, zijn alle deskundigen het over één ding eens: de relatie die co-kinderen met hun vader houden, dat is winst. Het is voor kinderen in vrijwel alle gevallen beter om met beide ouders contact en een band te hebben. ‘Het klinkt misschien vanzelfsprekend’, zegt pedagoog en expert scheiding en co-ouderschap Inge van der Valk (Universiteit Utrecht). ‘Maar tot een jaar of tien geleden dachten pedagogen nog dat een kind een ‘primaire verzorger’ had, vaak de moeder en een soort secundaire, minder belangrijke: de vader.’ Traditionele hechtingstheorieën betoogden zelfs dat, zeker in het geval van heel jonge kinderen, het kind niet van deze primaire verzorger gescheiden mocht worden.

‘Die ideeën zijn inmiddels achterhaald’, zegt Van der Valk. Al schuwen advocaten van moeders de inzet van dit geschut in de rechtszaal niet, weet Paul Vlaardingerbroek, emeritus hoogleraar gezinsrecht (Universiteit Tilburg) en als kinderrechter werkzaam in Rotterdam en Den Bosch.

Sinds 2009 staat in de wet dat kinderen recht hebben op een gelijkwaardig ouderschap. ‘Dat betekent recht op verzorging en opvoeding door beide ouders’, zegt socioloog Poortman. ‘Dat is niet hetzelfde als: vader en moeder hebben evenveel ‘recht op het kind’.’

Het is bij wet verplicht om een ouderschapsplan op te stellen, maar het is niet bij wet verplicht om te streven naar co-ouderschap, legt Poortman uit. ‘Het is hoogstens een stimulans.’ Een stimulans die voortkomt uit de vaderbeweging (denk aan de vaders in Batmankostuum op flatgebouwen die wanhopig contact met hun kinderen eisten) en uit onderzoeksontwikkelingen die het belang van goed contact met beide ouders voor het kind benadrukten.

Zo ontstond het huidige co-ouderschap, dat in Scandinavië volgens specialist familierecht Christina Jeppesen-de Boer (Universiteit Utrecht) al bijna de meest voorkomende leefconstructie voor ouders en kinderen na een scheiding is. De meeste ouders scheiden volgens Jepessen-de Boer, zelf een Deense, op een redelijke manier. Dan is co-ouderschap een prima optie. ‘Maar er is geen bewijs dat co-ouderschap in alle situaties een goed idee is, al beweert de vaderbeweging anders. Als er grote conflicten zijn en ouders echt niet kunnen of willen communiceren, lijdt het kind daar te veel onder.’

Ze treft ze vaak genoeg, de schrijnende gevallen. De kinderen die voor de deur worden afgezet, of bij een ophaalpunt. De ouders die elkaars nabijheid niet verdragen en via het kind communiceren. ‘Zulke kinderen moeten een eigen familiegeschiedenis schrijven. Er is geen enkele volwassene die de hele levensgeschiedenis van het kind kent, dat kan heel schadelijk zijn.’

Fleur Harshagen (midden) thuis bij haar moeder in Venlo, met haar stiefvader, broer en stiefbroer met z’n allen op de bank kijkend naar voetbal. Beeld Katja Poelwijk

Ouders beseffen soms niet wat ze van een kind vragen, zegt psycholoog Liesbeth Groenhuijsen, die jarenlang bij de Raad voor de Kinderbescherming werkte en sinds 2005 als zelfstandige ouders en kinderen na scheidingen begeleidt. Zo begeleidde ze een meisje van 9, wier ouders geen enkele vorm van communicatie hadden. Ze hadden de wisselmomenten zo geregeld dat ze elkaar nooit zagen. Op de wisseldag bracht de ene het kind naar school en haalde de ander het op. ‘Dat meisje had het daar heel moeilijk mee. Weet je wat ze zei? Op die dag woon ik de hele dag nergens.’

Socioloog Poortman is voorzichtig om al te positieve conclusies te trekken. Co-kinderen doen het in elk geval niet slechter dan kinderen die bij moeder of vader blijven, zegt ze. Maar beter? Nee, daarover zijn de conclusies te wisselend, de gevonden verschillen te klein en de onderzoeksopzetten te verschillend, vindt de socioloog. ‘Na een scheiding gaat het gemiddeld genomen een tijdje minder goed met kinderen, maar daarin zit veel variatie, of er nu sprake is van co-ouderschap of niet.’

Of co-ouderschap werkt verschilt per kind en per ouder, vult hoogleraar jeugdstudies Catrin Finkenauer (Universiteit Utrecht) aan. Ze noemt de drie zaken die maken dat een kind een gezonde ontwikkeling kan doormaken. Drie zaken ook die, niet geheel toevallig, door een scheiding onder druk kunnen komen te staan: de ouder-ouderrelatie, de ouder-kindrelatie en de sociale en materiële hulpmiddelen zoals een huis, geld, school, vrienden. ‘Als ouders in staat zijn na de scheiding deze drie zaken te waarborgen, is dat het ideaal’, zegt Finkenauer. ‘Meestal lukt dat niet, of niet meteen.’

FLEUR: ‘BIJ ALLEBEI MIJN OUDERS BEN IK THUIS’

Fleur (18) was 3 toen haar ouders uit elkaar gingen. Haar broertje Quincy was 2. Tot 2,5 jaar geleden woonden ze doordeweeks bij hun moeder en in het weekend bij hun vader, sinds de verhuizing naar een andere stad van hun moeder (vanwege een nieuwe liefde) is dat ritme gewisseld.

‘Papa heeft ons nu doordeweeks leren kennen. Dat betekent meer halen en brengen naar sport, meer was erbij en hij moest leren koken. Dat is gelukt. Bij allebei mijn ouders ben ik thuis. Heen en weer gaan is wel wat gedoe, soms zie ik op tegen de reis, als ik net mijn kamer heb opgeruimd bijvoorbeeld. Maar ik weet niet beter en zou de ander niet willen missen. De regels in de twee huizen zijn ongeveer hetzelfde. Papa is misschien iets losser. Omdat ik daar nu het meeste ben. Als ik wil chillen met vriendinnen zegt hij ‘vergeet de sleutel niet’, mama heeft me dan liever bij zich omdat ze me nu minder ziet of ze is ongerust en wil dat ik app als ik uitga.

‘Mijn ouders kregen allebei een nieuwe relatie. Mijn vader meteen, mijn moeder een tijdje daarna. Zo kreeg ik er gratis een tweede vader en moeder bij. Het was pijnlijk dat die relaties weer over gingen. Met de ex-vriendin van papa heb ik nog steeds contact. Zij is dertien jaar lang mijn stiefmoeder geweest. Mijn broertje niet, dat heeft geen speciale reden, hij is gewoon een jongen van 17. Als ie op z’n PlayStation kan spelen is zijn leven goed.

‘Zowel bij mijn vader als bij mijn moeder heb ik een foto van mijn overleden tante. En ik heb een klein fotoboekje met foto’s van mijzelf met mijn beste vriendinnen, dat is een soort wandelend verhaal dat ik altijd van het ene naar het andere huis meeneem.’

Emeritus hoogleraar gezinsrecht en rechter Paul Vlaardingerbroek is iemand die met gemengde gevoelens naar het co-ouderschap kijkt. Hij vindt ‘het beginsel ontzettend mooi’, maar weet helaas als geen ander hoe weerbarstig de praktijk kan zijn. ‘Ik zou het een gedeeltelijke verbetering willen noemen’, zegt de rechter. ‘De intentie was om beide ouders de betrokken zorg voor het kind te geven, maar dat vergt samenwerking tussen ouders en daar wil het nogal eens fout gaan.’

Scheidingsonderzoeker Ed Spruijt (Universiteit Utrecht) concludeerde een aantal jaar geleden dat het sinds 2009 verplichte opstellen van een ouderschapsplan (waarin de niet-juridische afspraken staan over de kinderen) zeker niet tot minder en misschien zelfs tot meer problemen heeft geleid. Ook sociologiehoogleraar Aart Liefbroer (Vrije Universiteit en demografisch instituut NIDI) concludeerde in 2014 dat exen vaker contact met elkaar hebben sinds 2009. Vaker in goede én vaker in slechte harmonie. Ze moeten wel, vanwege het gedeelde ouderschap, concludeerde Liefbroer.

Het aantal vechtscheidingen is sinds 2009 toegenomen. Of er een relatie is, is niet bekend. Rechter Vlaardingerbroek, die benadrukt dat hij vooral de probleemgevallen ziet, heeft zo zijn vermoedens. ‘Het werkt eigenlijk alleen als partijen over de pijn, boosheid en afgunst van de scheiding heen kunnen stappen. Als die nog te groot zijn, kun je niet regelen hoe je elkaar gaat informeren of afspraken maken over geld.’

Psycholoog Groenhuijsen merkt dat ouders het vaak onderschatten. ‘Ze denken: we gaan het leven van de kinderen gewoon voortzetten, maar dan op twee plekken.’ Of ze hangen te veel aan een exacte 50-50-verdeling. Vooral vaders zijn bang om hun kinderen te verliezen als ze niet hoog inzetten.

Laat die strakke verdeling los, betoogt Groenhuijsen. ‘Voor betrokken ouderschap is niet de kwantiteit maar de kwaliteit van het ouderschap van belang. Het gaat erom dat kinderen het gewone leven bij beide ouders leven. Dus niet alleen een weekendje en dan leuke dingen doen. Dat beide ouders zien hoe ze het schoolplein oplopen, de juf spreken en langs de lijn staan bij voetbal.’

DE ROL VAN DE RECHTER: NOOIT EXPLICIET VRAGEN BIJ WIE ZE HET LIEFST WONEN

Kinderen zijn nooit aanwezig bij zaken over voogdij en verdeling van zorg. Die spreekt rechter Paul Vlaardingerbroek apart. Liefst op een dag dat ze hun boze ouders niet in de gangen van het gerechtsgebouw tegen het lijf kunnen lopen. In de kindergehoorkamer, die groen is met afbeeldingen van grazende koeien, zitten ze niet tegenover maar schuin naast elkaar. Hij vraagt hun naar school, sport, wat ze overdag doen bij elke ouder, wie hun vriendjes zijn. Wat hun verdriet doet en plezier geeft. Nooit zal hij expliciet vragen bij wie ze het liefst wonen. Dat is te pijnlijk.

Wat de kinderen vertellen varieert. Soms durven ze te vertellen dat ze balen van de situatie, dat ze verdrietig worden van de strijd tussen hun ouders, er middenin zitten, nooit pauze hebben. Vaak ook zijn ze voorzichtig. Soms praten ze een van de ouders na. De loyaliteit van kinderen voor hun ouders is ongekend, merkt hij keer op keer. En de pijn kan voortduren in volwassenheid, weet hij. Een student-assistente van hem, opgegroeid in co-ouderschap, vertelde hem dat ze nog steeds niet over haar vader mag praten bij haar moeder. Daar lijdt een kind onder, dat onderschatten ouders vreselijk.

Het lijkt misschien een contradictie, maar hij doet er als rechter alles aan om de ouders uit de rechtszaal te houden, want daar staan de partijen tegenover elkaar. Dan zitten ze al in hun loopgraven. Als het goed loopt, komen ouders er wel uit, is zijn ervaring. Dan hoeft het niet juridisch geregeld te worden. Soms helpt hij ouders een handje bij logisch nadenken. Zoals de ouders die het delen zo letterlijk hadden opgevat dat het kind elke avond in pyjama naar de andere ouder ging. Het kind huilde nogal veel. Misschien niet élke dag wisselen, suggereerde hij voorzichtig.

En kijk naar de persoonlijkheid en ontwikkelingsfase van het kind, zegt Groenhuijsen. ‘Er zijn kinderen die al ontredderd zijn als ze een ander lakentje op hun bed hebben, of als de meubels verplaatst zijn in huis, die verplaats je niet zomaar even naar twee huizen.’

Wat ze ook ziet: mensen die de kinderen de helft van de tijd willen maar vervolgens de hele tijd een oppas inhuren, terwijl de andere ouder gewoon thuis is. ‘Ik zag ooit een treffende maar pijnlijke Amerikaanse spotprent. In the end we decided to give them to the nanny.’

Ouders die zeggen dat het om de kinderen gaat, maar die uiteindelijk vooral door de eigen emoties in beslag worden genomen, dat zien de deskundigen helaas vaak. Zo willen ouders na een scheiding soms ‘de meest belangrijke ouder’ zijn, zegt psycholoog Van der Valk. ‘Dat speelt in intacte gezinnen ook wel, maar daar blijft het meer impliciet. Als ouders uit elkaar gaan heb je moeders die denken dat vaders niet aan schone kleren of een portie broccoli denken. Gatekeeping noem je dat verschijnsel. Terwijl vaders vaak heus prima voor hun kind kunnen zorgen. En voor een kind maakt het echt niet uit of die broek nou schoon is.’

Of ouders die vergeten dat zowel tijd als spullen van het kind zijn en niet van hen. ‘Kleren die per se bij mama moeten blijven, of ouders die niet willen dat het kind uit logeren gaat omdat ze het al zo weinig zien’, zegt Van der Valk. ‘Ik begrijp het wel, maar het is niet in het belang van het kind.’

Opgroeien in twee huizen is hoe dan ook een extra ontwikkelingstaak voor kinderen, zeggen de experts. Dat is niet goed of slecht, maar een gegeven. ‘Kinderen kunnen van alles meemaken: verhuizen, een juf die weggaat, een hond die doodgaat’, zegt Groenhuijsen. ‘Ze kunnen het aan. Als de ouders ze maar blijven steunen.’

Van der Valk wil ook niet alles problematiseren. ‘Dat helpt niet en is niet nodig. Kinderen zijn flexibel en wennen aan dingen. Het leven na een scheiding kan ook positief uitpakken. Het kan heel gezellig zijn als je vader weer verliefd is of de nieuwe partner wel aan dingen denkt waar je vader niet aan denkt.’

‘WEES OPEN’: ZEVEN TIPS VAN DE EXPERTS

1. Begin met een zo kaal mogelijk ouderschapsplan. De periode net na de scheiding is de ‘crisistijd’, dan kunnen mensen zelden rustig om de tafel. Spreek af om het plan elk half jaar of jaar te evalueren en waar nodig aan te passen. Psycholoog Groenhuijsen: ‘Doe dat structureel, anders gaan mensen pas praten bij een conflict over een verhuizing, nieuwe baan of partner. Dan ben je te laat.’

2. Voor heel jonge kinderen is een week onoverzichtelijk lang, zegt Van der Valk. Dan kan vaker wisselen wenselijk zijn. ‘Bij baby’s en peuters is het van belang om kleine dingen hetzelfde te houden in de twee huizen. Dat geeft hen een gevoel van veiligheid. Vaste bed-rituelen, wat je doet als het kind huilt.’

3. Neem als ouder de logistiek (vergeten, verdwenen en dubbele spullen) uit handen van de kinderen, zeker in de basisschoolleeftijd. De afstand tussen de huizen moet overzichtelijk zijn, zodat de sociale omgeving (sport, vrienden, school) van het kind beschikbaar is vanuit beide huizen.

4. Hoe ouder het kind, hoe vanzelfsprekender de verschillen in opvoedstijl of gewoontes van beide ouders in beide huizen zijn. ‘Voor de meeste kinderen geldt: bij mama gaat het zo, bij papa zo. Stem het af bij je kind, hoe gaat het bij mama en wil je dat ook zo? Soms gaat dat over heel kleine dingen. De kleur van het dekbed, dezelfde knuffel, de deur op een kier’, zegt Van der Valk. Vanaf een jaar of 12 krijgen kinderen meer en meer de behoefte om zelf aan te geven hoe ze het willen. ‘Dat is een leeftijd waarop ze zeggen: ik snap wel dat ik af en toe bij mijn moeder ben, maar op zaterdag na voetbal wil ik wel afspreken met mijn vrienden.’

5. Misschien wel dé vuistregel voor succes: waarborg de band met je kind. Wees open, communiceer. ‘Vaak komen er nieuwe partners, nieuwe kinderen’, zegt hoogleraar jeugdstudies Finkenauer. ‘Dat is niet per se negatief, wel iets nieuws om aan te wennen. En altijd zal voor het kind de vraag spelen: doe ik er nog wel net zoveel toe.’

6. Een even pijnlijk als heugelijk inzicht: kinderen beschikken over een idiote hoeveelheid veerkracht en overlevingsdrang. Finkenauer: ‘Zij laten hun leven niet door hun ouders verpesten. Het kost tijd, maar ze passen zich aan en maken er bijna altijd het beste van.’

7. Kinderen willen graag gehoord worden. Luister naar ze, zo kunnen ze gemaakte afspraken als eerlijker ervaren.

EEN SAMENSMELTING MET VIJF KINDEREN

Noor (18) en Bas (15) pendelen al twaalf jaar tussen hun vader en moeder. Bij hun moeder hebben ze een stiefvader en twee stiefzusjes (‘die wonen in Almelo’), daar wonen ze op woensdagavond, donderdag, vrijdag en om het weekend, bij hun vader Menno wonen ze sinds zes jaar met Katja en haar drie kinderen Jeva (13), Seb (16) en Mik (17). Die pendelen doordeweeks precies andersom tussen twee Rotterdamse huizen en in hetzelfde weekendritme. Zo hebben Katja en Menno twee weekenden per maand met z’n tweeën.

Menno: ‘Dat was ook wel nodig, zeker in het begin, want we moesten elkaar nog leren kennen en dat is lastig met vijf kinderen om je heen.’

Jeva, lachend: ‘Jullie trokken ook al na twee maanden bij elkaar in.’

Noor (net in Leiden gaan studeren en volgende maand op kamers): ‘Volgens mij was het na twee weken. Jongens ik heb een vriendin, ze heeft drie kinderen en ze komen hier wonen.’

Ja, dat hadden ze misschien een beetje onderschat, de kersverse lovers, zo’n samensmelting van twee huishoudens in het huis van Menno en zijn kinderen. Het was ‘wel even lastig’, vatten de twee meisjes samen. ‘Ik wilde altijd al een oudere zus’, zegt Jeva. ‘Dus ik was meteen blij.

‘Deze zomer zijn we met hen meegegaan op huwelijksreis’, zegt Noor, lachend. ‘Papa ging jou met kerst vragen, waar iedereen bij was. Toen werd hij helemaal emotioneel. Dat was bijzonder, want dat is hij niet zo snel.’ Als Katja in de keuken is: ‘Moet je haar straks maar eens vragen hoe dat was, met vijf kinderen in een camper, op je huwelijksreis.’

‘Mijn broertje vond het het lastigst’, zegt Noor. ‘Die is gevoeliger, hij heeft nog steeds moeite met de scheiding denk ik. Ik niet, ik voel me dankbaar dat mijn ouders zo hun best hebben gedaan om ons alles te geven en er altijd allebei voor ons te zijn. Ik voel me juist bevoorrecht. Dat ik een extra zusje en broers aan de ene kant heb en twee zusjes aan de andere kant. En ik heb een heel goeie band met de vriend van mijn moeder. Die is al zo lang in ons leven, dat is wel een soort tweede vader.’ Meteen: ‘Katja vind ik ook geweldig, die ken ik alleen minder lang.’

De meisjes zitten dicht naast elkaar op de bank, maken kleine familiale grapjes, zoals alleen broers en zussen dat kunnen. Plagen hun vader en moeder, en twee broers, die op moeders verzoek een hand schudden, vragen of er al gegeten kan worden en weer verdwijnen.

Over het ritme denkt Noor nooit na. Het is haar natuurlijke ritme geworden. ‘Ik denk dat ik twee keer in mijn leven heb gedacht: goh, hoe zou het zijn om met mijn ouders en broer een gezin te zijn in één huis.’ Datzelfde geldt voor Jeva, die zich niet eens kan herinneren dat haar ouders ooit bij elkaar zijn geweest.

Thuis is geen plek, thuis is waar je familie is, zegt Noor. Jeva knikt. Ze mist haar vader niet als ze bij haar moeder is of andersom. ‘En anders bel ik even.’ En die twee kamers. Daar moet je ‘gewoon je eigen plekje van maken’, tip van Noor. En een van de twee is de basisplek voor je spullen. De jongens doen dat anders, maar die zijn ook de hele tijd van alles kwijt. Alleen als Noor straks op kamers gaat wordt thuiskomen in het weekend lastig. ‘Ik wil dan eigenlijk iedereen zien, dus dat wordt veel verplaatsen. Maar dat heb ik er wel voor over.’

WAAR HOOR IK THUIS?

Om meer te kunnen zeggen over het opgroeien in twee huizen na een scheiding (‘dat aantal kinderen neemt alleen maar toe’), is pedagoog Inge van der Valk recent een studie gestart met haar onderzoeksgroep aan de Universiteit Utrecht. In het project ‘waar hoor ik thuis’ worden de komende jaren kinderen tussen de 12 en 18 jaar gevolgd die opgroeien in co-ouderschap in 250 gezinnen in de regio Utrecht. Met als hoofdvraag: hoe gaat het met het thuisgevoel van deze kinderen?