Mooi artikel NRC over co-ouderschap en de effecten voor kinderen

Het artikel Twintig jaar co-ouderschap, hoe is dat eigenlijk voor de kinderen? van Carlijn VisRinskje Koelewijn 23 februari 2018 in de NRC is een goed overzicht van co-ouderschap en de effecten hiervan op kinderen.

Hoewel de term co-ouderschap in dit artikel veel wordt gebruikt is een kleine kanttekening op zijn plaats. Co-Ouderschap als woord heeft geen wettelijke status. De wet spreekt over namelijk over gezag. Ouders hebben gezamenlijk gezag ( 50% vader -50% moeder). Dit zegt verder niets over de verdeling na scheiding van de zorgtaken. In het ouderschapsplan dienen de ouders aan te geven hoe ze de zorg van het kind regelen. Of een kind dan volledig bij moeder woont, maakt voor de gezagsverdeling niet uit. In Nederland, spreken we vaak over co-ouderschap wanneer de zorgtaken gelijkelijk over vader en moeder zijn verdeeld. Het kind woont dan ook vaak 50 % van de week bij de ene en 50% van de week bij de andere ouder.

Twintig jaar co-ouderschap, hoe is dat eigenlijk voor de kinderen?

Ouderschap kun je delen, kinderen niet. Of toch? Elk jaar scheiden in Nederland de ouders van 70.000 thuiswonende kinderen. Eén op de vijf stellen kiest na de scheiding voor co-ouderschap. Beide ouders de helft van de zorg, kosten, opvoeding en tijd voor de kinderen. Die wonen in twee huizen en pendelen met tassen, broers en/of zussen heen en weer. Week op, week af, of welk schema de ouders ook maar bedenken.

Het aantal scheidende ouders dat voor co-ouderschap kiest, is de afgelopen twintig jaar gestegen van 5 naar 20 procent. Co-ouderschap lijkt de beste oplossing voor een uit elkaar vallend gezin. De ouders zijn geen partners meer, maar blijven opvoeders. En ook voor het kind zou het beter zijn. Beter dan wonen bij één ouder, en de ander af en toe (of helemaal niet) zien. Alleen: of co-ouderschap ook echt goed is voor kinderen, of zelfs beter, is nauwelijks onderzocht. In elk geval niet voor of tijdens de introductie van de wetten die co-ouderschap mogelijk maakten.

De eerste lichting kinderen die is grootgebracht door co-ouders is nu volwassen. Ze kunnen terugkijken op hun jeugd, zijn misschien uit huis, hebben zelf liefdesrelaties. Hoe vonden ze het hun leven te verdelen tussen twee ouders? Hoe was het om in twee huizen te wonen? Om steeds weer afscheid te nemen? Hoe is de band met hun ouders?

Aan de Universiteit Utrecht en de VU Amsterdam doen juristen, pedagogen en sociologen onderzoek naar het effect van co-ouderschap op kinderen. Een eerste, voorzichtige, conclusie: de juristen zijn minder positief dan de pedagogen. De juristen zien ruziënde ouders, de pedagogen een hechtere band tussen een kind en beide ouders.

Twee wetten hebben de keuze voor co-ouderschap mogelijk gemaakt. In 1998 werd vastgesteld dat het gezag over de kinderen na de scheiding automatisch aan beide ouders toevalt. Voorheen hield één ouder, meestal de moeder, het gezag. In 2009 werd een ouderschapsplan verplicht. „Bij de totstandkoming van de wetten was het vaders tegen de moeders”, zegt Masha Antokolskaia, hoogleraar privaatrecht aan de VU in Amsterdam. „Gedeeld ouderlijk gezag gaf vaders slechts papieren rechten. Woonde een kind na de scheiding bij de moeder, dan had de moeder nog allerlei mogelijkheden de vader buiten te sluiten. Hij bleef een tweederangsopvoeder. Met name vaderorganisaties drongen erop aan het kind bijna letterlijk te verdelen.” Niet in vlees maar in tijd.

Er is niet minder ruzie

Elke maandag de beste stukken over zelfverbetering en levensvragen.
En zo kwam in de wet te staan dat beide ouders na een scheiding een gelijkwaardige rol moesten krijgen in de opvoeding. Ouders vatten dat op als een soort modern salomonsoordeel: ieder de helft. Dus moest het kind ook evenveel tijd doorbrengen bij vader en moeder. De Hoge Raad oordeelde anders, in 2010. Gelijkwaardig ouderschap hoeft niet gelijkheid in tijd te betekenen, maar in ‘waarde’. Hoe die gelijkwaardigheid dan moet worden ingevuld, is niet vastgelegd. Ouders moeten dat naar eigen inzicht overeenkomen en hun afspraken vastleggen. En dat gaat niet altijd even goed, zegt hoogleraar Antokolskaia. „In 2015 heeft een promovenda bij rechtbanken echtscheidingsdossiers opgevraagd van voor en na de invoering van het ouderschapsplan.” Wat blijkt: „Er is niet minder ruzie. Ook door ouders zelf gemaakte afspraken worden niet nageleefd.”

1980
Voor 1980 co-ouderde 1 procent op eigen initiatief.
1998
Wet: beide ouders houden gezag over de kinderen.
2009
Wet: ouderschapsplan verplicht bij scheiding.
2010
Hoge Raad bepaalt: gelijkwaardig ouderschap hoeft niet gelijk in tijd te zijn.
„Voor ouders is co-ouderschap een uitkomst”, zegt Antokolskaia. Dat blijkt uit Australische en Zweedse studies. Vaders hebben evenveel rechten als de moeder, moeders evenveel vrijheid als voorheen de vader. „Het heeft een emancipatoir effect. Moeders kunnen hun kinderloze dagen besteden aan studie, werk of een nieuwe partner.” Maar ze zegt ook: „Het perspectief van het kind is uit het oog verloren. Er wordt geschermd met het belang van het kind. Maar of co-ouderschap voor het kind de beste optie is, en wat daarvoor dan de voorwaarden zijn, dat moet nog worden onderzocht.”

Voor Esther Visser (22) was co-ouderschap geen succes. Haar ouders scheidden toen ze 14 was, zij woonde om en om bij haar vader en moeder. „Ik voelde me nergens thuis.” Na een jaar is ze bij haar vader gaan wonen. Misha Huisman (22) woont al twaalf jaar in twee huizen. Dat blijft ze doen, ook al is ze het op en neer reizen zat. Kiezen voor één huis is ook de keuze voor één ouder en tegen de ander. En dat wil ze niet. „Mijn broertje van 17 wil ik ook niet in de steek laten.”

De ‘tweehuizenconstructie’ is het minst stabiel van alle echtscheidingsvormen. Die conclusie trekken socioloog Anne-Rigt Poortman (Universiteit Utrecht) en Ruben van Gaalen (CBS) in hun onderzoek uit 2017, Shared residence after separation . „Co-ouderschap vergt veel coördinatie en coöperatie. Eenvijfde van de co-ouderende ouders in Nederland stopt ermee binnen twee jaar.” De kinderen gaan daarna meestal naar de moeder. En dan zijn we weer bij de klassieke constructie, waarvoor nog altijd 70 procent van de ex-stellen kiest – moeder heeft de kinderen, vader een omgangsregeling.

Slechts voor een select groepje ouders

De onderzoekers zien ook dat co-ouderschap is voorbehouden aan een select groepje ouders: autochtoon, hogeropgeleid, met voldoende financiële middelen en weinig (persoonlijke) problemen en onderlinge conflicten. Moeders met een betaalde baan, vaders die voor de scheiding al een actieve vaderrol hadden.

Co-ouderschap is geen Nederlandse uitvinding; het is mogelijk in onder meer Canada, België, Australië, Noorwegen, Zweden, Frankrijk. In Europa is het een trend, ziet hoogleraar Antokolskaia. En ook in de VS is het een vaker gekozen optie, schrijft onderzoeker Linda Nielsen van Wake Forest University in North Carolina. Zij heeft veertig wereldwijde studies over het welzijn van kinderen na scheiding vergeleken.

Bij een scheiding zijn kinderen hoe dan ook de klos. Op een speciale cursus leren ze om te gaan met woede en verdriet
Zij ziet in al die veertig studies overwegend positieve effecten: kinderen in co-ouderschap doen het beter dan kinderen die bij één van de ouders wonen (meestal de moeder). Het voordeel van wonen bij twee ouders weegt op tegen het nadeel van leven in twee huizen. Kinderen zijn tevredener over hun leven, halen hogere cijfers op school en voelen zich minder somber dan kinderen die vooral bij hun moeder wonen. Er is alleen één maar bij al deze uitkomsten: alle vragen over het kinderwelzijn zijn beantwoord door ouders, niet door kinderen.

De Nederlandse kinderombudsman sprak wél met kinderen en schreef in 2013 in het rapport Kind in de knel: „Co-ouderschap heeft voordelen, maar is niet altijd de beste oplossing voor het kind.” Kinderen uit co-oudergezinnen kennen meer „verdrietige gevoelens” dan andere kinderen van gescheiden ouders. En vaker dan andere kinderen hopen ze op hereniging van hun ouders.

Dat hoort onderzoeker Inge van der Valk (Universiteit Utrecht) veel kinderen van gescheiden ouders zeggen. Zij doet sinds 1999 onderzoek naar gezinsrelaties na een scheiding. „Dat gevoel van gemis hebben kinderen ook als ze bij één ouder wonen. Co-ouders kunnen afspreken het kind elke dag te laten skypen met de andere ouder. Als de sfeer tussen ouders goed is, voelt een kind zich vrij om bij de één te zeggen dat hij de andere ouder mist.”

20%
Het aantal scheidende ouders dat kiest voor co-ouderschap, is in twintig jaar gestegen van 5 naar 20 procent.
70.000
Per jaar maken zo’n 70.000 thuiswonende kinderen mee dat hun ouders uit elkaar gaan.
16.000
Circa 16.000 kinderen hebben ernstige last van de gevolgen van de scheiding.
7.200
Per jaar kunnen 7.200 scheidingen getypeerd worden als conflictueuze of vechtscheidingen.
De vergeten schoolboeken, sporttas, kleren; onduidelijkheid over wanneer er van huis gewisseld moet worden; nergens echt ‘thuis’ zijn. Op het forum van Villa Pinedo, waar kinderen van gescheiden ouders ervaringen uitwisselen, zijn dit de meest gedeelde klachten over het wonen bij twee ouders. „Ik had een wisselleerstoel in Gent”, zegt hoogleraar Masha Antokolskaia. „Om de zoveel tijd moest ik met m’n hebben en houden op en neer vanuit Amstelveen. Wat een hel. Hoe moet dat voor kinderen zijn die soms om de twee dagen moeten verkassen?” Maar, zegt zij, uit Australisch onderzoek blijkt ook dat kinderen flexibel zijn en opvallend snel aan hun nieuwe leven wennen. Zo ook Floris Rierink (16), die op woensdagmiddag, vrijdagmiddag en zondagavond van ouder en dus van huis wisselt. „Wij hebben alle drie een grote tas op wieltjes gekregen. Kleren en boeken gaan daarin, mijn sporttas gaat apart mee en mijn schooltas op m’n rug.” Vindt hij het een hel? „Ik wil m’n ouders allebei blijven zien. Ik heb het ervoor over.”

Problemen die doorsijpelen

„Opvoeden na scheiding is moeilijk,” zegt onderzoeker Van der Valk. „Als je samen opvoedt, is het heel lastig om de problemen die je onderling hebt niet te laten doorsijpelen in het contact over het kind.” De voorwaarde om co-ouderschap te laten slagen, zegt zij, is dat ouders goed met elkaar omgaan. „Je moet elkaar op de hoogte houden van alle ontwikkelingen rond het kind, belangrijke beslissingen samen nemen.” En, als het even kan, ook de opvoedregels enigszins op elkaar afstemmen. Ook belangrijk, zegt zij: „De ander respecteren in zijn rol als ouder. Je kunt iemand weliswaar niet meer als partner willen, maar nog wel zijn toegevoegde waarde als ouder zien.”

Naast een goede relatie tussen beide ouders lijkt weinig afstand tussen de twee huizen (en de school) een voorwaarde voor het welslagen van de co-ouderconstructie. De budgetvoorlichters van het Nibud waarschuwen dat de gedeelde zorg voor de kinderen moeilijk te combineren kan zijn met werk, en dus inkomensverlies kan betekenen. „Mijn vader moest ’s ochtends om zeven uur de deur uit, anders stond hij in de file,” zegt Sem Borrel (25). Zijn ouders scheidden toen hij acht was. „Mijn moeder kwam dan met ons opstaan, ook al was het niet ‘haar’ week.” Ouders, zegt het Nibud, moeten draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van twee huizen, twee vakanties en de dubbele aanschaf van spullen op te brengen.

Lees ook: Blijf met elkaar praten en andere lessen voor co-ouders
Als co-ouderschap lukt, ziet Van der Valk veel voordelen voor kinderen. „Ze kunnen met beide ouders een goede band opbouwen – wat met een ‘weekend-ouder’ bijna onmogelijk is. Kinderen hebben minder kans op een loyaliteitsconflict.” Als co-ouderschap mislukt, zeggen juristen, ligt dat aan conflicten tussen de ouders. Om samen op te voeden, moeten ze meer overleggen dan ze misschien aankunnen.

Onderzoekers Poortman en Van Gaalen zien co-ouderschap stranden op praktische zaken: geld, werk, woonsituatie. En een belangrijke oorzaak van mislukking: het kind zelf. Jonge kinderen hebben te veel last van het telkens missen van een ouder, oudere kinderen (middelbare school) vinden het wisselen van huis te veel gedoe.

Is co-ouderschap een redding of een ramp? We vroegen het vier kinderen.