Eenhoofdig gezag bij vechtscheiding? Ido Weijers, eerder gepubliceerd in pedagogiek nu

Eenhoofdig gezag bij vechtscheiding?

Deze blog werd overgenomen van pedagogiek nu. Ido Weijers is oud hoogleraar Pedagogiek van de Universiteit van Utrecht. Hij pleit voor het uit elkaar houden van het gezag over het kind en de band die het kind heeft met de ouders..

Nog steeds wordt onderschat dat kinderen last hebben van de scheiding van hun ouders, dat hun elementaire behoefte aan veiligheid en vertrouwdheid hieronder lijdt. Inmiddels wordt wel algemeen erkend dat de vechtscheiding, waarbij de ouders ruzie blijven maken en elkaar juist met betrekking tot gezag en omgang blijven bestrijden, zeer negatieve gevolgen heeft voor de kinderen, zowel op de korte als op de veel langere termijn. Dramatisch uit de hand gelopen vechtscheidingen hebben duidelijk gemaakt dat kinderen in zo’n situatie ernstig risico kunnen lopen. De laatste jaren is echter duidelijk geworden dat kinderen in het algemeen vaak levenslang schade ondervinden van een vechtscheiding.

Uit onderzoek blijkt onder meer dat kinderen na een scheiding niet zozeer behoefte hebben aan een voortdurende omgang met beide ouders als wel vooral aan rust en stabiliteit (Amato & Keith, 1991). Voor veel gescheiden ouders is het feit onverteerbaar dat de mate van contact met de uitwonende ouder voor het welbevinden van kinderen van ondergeschikt belang is. Voor het kind blijkt de sterkte van de band voor de scheiding veel belangrijker.

Aangezien gezamenlijk gezag veel problemen in de hand werkt, wordt recent af en toe de vraag opgeworpen of het belang van het kind in geval van een vechtscheiding dan wellicht gediend zou kunnen zijn met het toekennen van eenhoofdig gezag aan een van de ouders. Vaak vraagt een van de ouders hier zelf om. Het is inderdaad alleszins denkbaar dat dit positief uitwerkt bij zeer jonge kinderen, omdat in zo’n geval rust en stabiliteit veelal gemakkelijker kunnen worden gerealiseerd. Bij oudere kinderen is dat echter nog maar de vraag.

Cruciaal is hierbij de wens van het kind. Als het kind van twaalf jaar of ouder – maar waarschijnlijk ook al (veel) jonger – een uitgesproken voorkeur heeft om bij een van de ouders te wonen, dan ligt het voor de hand dat toekenning van eenhoofdig gezag aan deze ouder in belangrijke mate kan bijdragen aan de beoogde rust en stabiliteit.

Daarentegen zal toekenning van eenhoofdig gezag aan de andere ouder – dus tegen de uitdrukkelijke wens van het kind – precies omgekeerd effect hebben. Of een dergelijke beslissing (in de ogen van het kind) nu wordt gemotiveerd door rancune van de andere ouder jegens de door het kind verkozen ouder en verblijfplaats, of door weloverwogen bestwilmotieven met het oog op de toekomst van het kind, of door een complexe combinatie van beide, dit kind zal zich niet gehoord en miskend voelen. Het zal de beslissing in een voor hem zo beladen aangelegenheid als straf en als onrechtvaardig ervaren. Daarmee vormt een dergelijke beslissing een bron voor nieuwe spanningen, voor versterking van depressieve gevoelens en verdere afname van zijn welbevinden.